Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160 VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE EEREDIENST

In dit vers nu worden ons enkele gebruiken in den eeredienst der Jeruzalemsche geloovigen geteekend.

* *

Zij, de eerste Christenen, volhardden in de leer, d. w. z. in het onderwijs der apostelen. Deze waren hun leeraars, die hen onderwezen in Gods Woord, in Zijn Openbaring, gelijk zij die zelf kenden èn uit hün Bijbel: het Oude Testament met zijn Wet, de Profeten en de overige Schriften, èn uit wat Christus hun had geleerd en waarin zij door den Heiligen Geest al dieper werden ingeleid.

De Nieuw-Testamentische Schriften toch bestonden toen nog niet; alleen het Oude Testament, verbonden met de levende stem der apostelen, was de norm of het richtsnoer voor het geloof der gemeente.

Na te hebben vermeld, hoe ze ook volhardden in de gemeenschap, d. i. wat Petrus later in zijn brief zal noemen de „broederschap" (1 Petrus 2 : 17 en 5 : 9) en waarmee hij dan bedoelt de geestelijke verwantschap van Christus' geloovigen als kinderen, door en in Hem, van den hemelschen Vader, — zegt Lukas ons hier verder, dat zij volhardden in de breking des broods.

Hierbij hebben wij te denken aan gemeenschappelijke avondmaaltijden, zooals Jezus ze ook met de Zijnen had gehouden en waar wij o. a. van lezen in het verhaal der Emmaus-gangers: „En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun" (Lukas 24 : 30). Droegen deze maaltijden, waartoe ieder zijn gaven bracht, het karakter van een „liefdemaal", zij werden evenals bij den laatsten maaltijd, dien Jezus vóór Zijn sterven met Zijn discipelen had gehouden, met het toen door Hem ingezette „Heilig Avondmaal", tot Zijne gedachtenis besloten.

En eindelijk wordt hier verhaald van de eerste Christenen, dat ze volhardden in de gebeden, waaronder wij zoowel nieuwe Christelijke gebeden, als Israëls Psalmen en de gewone Joodsche gebeden, die betrekking hadden op den Messias en Zijn rijk, hebben te verstaan.

i.

Deze enkele trekken geven ons zeker nog geen volledig beeld van den Christelijken eeredienst. Zij kunnen aangevuld door wat ons in Hand. 2 : 41 omtrent den Doop; door wat ons in Matth. 26 : 30: „En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg" — omtrent de zede in Jezus' kring van het gemeenschappelijk gezang, wordt vermeld.

Dan, zooveel blijkt uit het bericht van Lukas in Handelingen 2 : 42, dat er van den eersten Christelijken Pinksterdag af in de gemeente des Heeren een eigen eeredienst, een eigen wijze van uitwendige Godsvereering is geweest.

En nu weten wij b.v. reeds, uit het samen opgaan van Petrus en Johannes naar den tempel, omtrent de ure des gebeds (Hand. 3:1); uit Petrus' hechten aan de Joodsche spijswetten (Hand. 10 : 14); en

Sluiten