Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebod en bedreiging

241

schrijven „Jahwe", anderen „Jahveh", en sommigen beweren zelfs, dat Jehova de uitspraak is, die reeds zou hebben bestaan nog vóór men onder de Hebreeuwsche medeklinkers klankteekens schreef.

Bij dezen stand van de quaestie is het wel het eenvoudigst om, althans waar men zich beweegt op het terrein van de religie, „Jehova" te schrijven en te zeggen. Niet omdat dit nu zooveel eerbiediger is, maar omdat een andere uitspraak dan de sedert eeuwen gewone, een schijn van goedkoop willen pronken met schoolgeleerdheid geeft en bovendien de zekerheid hier toch ontbreekt.

Wij, die weten, dat de majesteit Gods niet in letters of lettergrepen is ingesloten, weten ook, dat wij het derde gebod allerminst overtreden, indien wij den naam van Israëls God, hoe dan ook, uitspreken of schrijven.

Toch is in de meeste Bijbelvertalingen, waar het Oude Testament Jehova heeft, het woord „Heere" gebruikt. Die der Zeventigen ging hierin voor door „Kyrios" te schrijven, en ook de officieele Latijnsche vertaling der Roomsche kerk, de Vulgaat, heeft „Dominus".

Ook onze Statenvertalers volgden dit gebruik en schreven Heere, waar het oorspronkelijke Jehova heeft. Zij lieten het woord Heere alsdan met kapitale letters drukken.

Dat wij gewoonlijk de stomme e achter Heer schrijven en zeggen, wanneer wij van God als den God des Verbonds spreken, heeft niets te maken — zooals vrome menschen, die echter geen of slecht lager onderwijs genoten, en in dat Heere dan een meervoud zien, wel eens denken — met het leerstuk der Drieëenheid ; de zaak is eenvoudig, dat „heere", evenals „vrouwe", voor ieder, die taalgevoel heeft, eerbiediger klinkt dan „heer" .en „vrouw", en om dien eerbied dan ook tegenover onzen God te toonen, schrijven en zeggen wij Heere.

Ook waar van den Romeinschen keizer sprake is, in Hand. 25 : 26, liet de Statenvertaling het woord „heere" drukken.

In dien Naam, hoe dan ook uitgesproken, gaf God aan Israël een openbaring van Zijn aanbiddelijk Wezen, en wel vooral van Zijne trouw. Dit toch ligt in die woorden van Exodus 3 : 14: „En God zeide tot Mozes: Ik zal zijn, die Ik zijn zal! Ook zeide Hij: Alzoo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Ik zal zijn heeft mij tot ulieden gezonden." — Immers, dat hier bovenal Gods trouw voor Zijn volk wordt bekend gemaakt, blijkt ook uit het volgende vers, waarin vermeld staat, hoe aan Mozes wordt opgedragen, tot de kinderen Israëls te zeggen: „Jehova, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk." God zal zijn, die Hij geweest is voor de aartsvaders, die Hij nu is, die Hij blijven zal.

En als wij nu lezen in Exodus 6:2: „En Ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige; doch met Mijnen naam

Ordinantiën lil 16

Sluiten