Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GELOFTE

271

toekomstige heil der volkeren, hij zegt: „Zij zullen den Heere eene gelofte beloven en betalen" (Jesaja 19 : 21).

Ten slotte zij hier nog opgemerkt, dat volgens het Oude Testament slechts zij, die hun eigen meester waren, vrij waren in het doen van geloften. Althans in de wet op de geloften, welke wij in Numeri 30 hebben, wordt bepaald, dat, „wanneer een man den Heere eene gelofte zal beloofd, of eenen eed zal gedaan hebben, zijne ziel met eene verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen: naar alles, wat uit zijnen mond gegaan is, zal hij doen" (vers 2). Anders echter staat het in deze wet met de dochter in het huis van haar vader en met de gehuwde vrouw. Indien zij een gelofte gedaan hebben, kan öf de vader öf de man dit ongeldig verklaren; hij moet het dan echter doen op den dag waarop hij het gehoord heeft. Zijn stilzwijgen geldt als toestemming. Daarentegen wordt de verlaten vrouw of de weduwe door geen macht in haar vrijheid om een gelofte te doen, beperkt.

* * *

Wat nu het Nieuwe Testament betreft, wordt daarin van geloften schier niet gesproken. Het eenige woord van den Heere Jezus, waarin Hij over de gelofte spreekt, vinden wij in Mattheüs 15 : 5 en 6: „Maar gij zegt: Zoo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is eene gave, zoo wat u van mij zou kunnen te nutte komen, en zijnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet; en gij hebt alzoo Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting." Hiermede overeenkomend heeft Markus 7 : 11 en 12: „Maar gijlieden zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Het is .korban (dat is te zeggen, eene gave), zoo wat u van mij zou kunnen te nutte komen, die voldoet; en gij laat hem niet meer toe, iets aan zijnen vader of zijne moeder te doen."

De Heere veroordeelt in dit woord niet het doen van geloften op zich zelf, maar wel een dier inzettingen van de Farizeërs, waardoor zij Gods geboden krachteloos maakten. Lag in het gebod: „Eert uwen vader en uwe moeder I" voor hem, wiens ouders dat noodig hadden, ook de verplichting om voor ze te zorgen, naar de zedeleer der Farizeërs was men van die verplichting ontslagen, indien men door een gelofte zich verbonden had, als gave aan den tempel te schenken — korban: geschenk of gave, is hier: een geschenk bij uitnemendheid, en wel aan God, d. w. z. aan den tempel — wat men anders aan zijn ouders zou hebben gegeven. In plaats van aan zijn vader of zijn moeder wat te doen, antwoordde men dan op de voor hen toch al zoo pijnlijke vraag aan hun kind om onderstand: „Ik kan u niet helpen, want wat ik u zou hebben kunnen geven, heb ik al aan God beloofd te zullen schenken aan den tempel te Jeruzalem."

En dan klonk dat: „Het is korban, mijn vader of mijn moeder!" wel zeer vromelijk, maar het was liefdeloos, 't Was een doen, dat herinnert aan dat van sommige menschen in onze dagen, die hoog opgeven van hun „leven voor anderen", maar aan hun eigen ouden vader of bejaarde moeder niets doen: vrouwen en meisjes, die het met haar menschlievenden arbeid veel te druk hebben om zelf haar oude moeder in haar

Sluiten