Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERBREIDEN EN BELIJDEN

279

het onheilige, en tusschen het onreine en tusschen het reine"; te vervullen den priesterplicht; te onderscheiden, d. i. van elkaar scheiden, er een scheidsmuur tusschen optrekken.

De priester in Israël moest weten te onderscheiden.

In zijn bewustzijn moest vaststaan, hij moest kennis hebben van het verschil tusschen heilig en onheilig, tusschen rein en onrein.

Levietisch rein, zoodat hij niet alleen kennis had van reine en onreine menschen, maar ook van reine en onreine dieren, ja zelfs van reine en onreine zaken; doch dit was slechts het symbolische, het schaduwachtige van wat werkelijkheid is in de tegenstelling tusschen door Christus aan God verbonden en daarom heilig, en zonder Christus en daarom los van God, en daarom „van de wereld".

* * *

En dus weten te onderscheiden, kunt ge alleen, wanneer uw ziel door wederbarende genade vast komt te liggen aan het Woord van uw God, aan Zijn openbaring, aan Zijn bijzondere openbaring in de Schrift.

Uit die Schrift komt u dan toe de rechte kennisse van uw God en van Zijn heiligen wil voor uw eigen zieleleven en voor het samenleven met uw medemenschen; van Zijn ordinantiën voor wat men noemt de zedelijke wereldorde, doch wat nauwkeuriger de geestelijke wereldorde moet heeten, omdat zij, in tegenstelling met de natuurlijke wereldorde, gaat over heel 's menschen geestelijk bestaan, zoowel zijn denken en zijn voelen als zijn willen.

Het met vreeze en eerbieding gebruiken nu van Gods Naam, het opheffen van dien Naam tegen het ijdele in het saamleven met uw medemenschen, is niet anders dan met deze uw kennisse van het heilige ingaan tegen het onheilige óók in dat menschelijk saamleven.

Zeker, allereerst, gelijk wij in het voorlaatste hoofdstuk aanwezen, in uw eigen ziel en uw persoonlijk leven; maar omdat gij een gemeenschapswezen zijt, omdat God u met en voor uw medemenschen schiep, ook in het saamleven met uw naasten.

# * *

En daarbij is het dan allereerst noodig, die kennisse te verbreiden onder uw naasten.

Het komt er toch op aan, ze op te leiden tot die zelfstandigheid en vrijheid, waartoe de lieden van Sichar gekomen waren, welke tot de Samaritaansche zeiden: „Wij gelooven niet meer om uws zeggens wil; want wij zeiven hebben gehoord en weten" (Joh. 4 : 42).

Zulk een verbreiding van Gods Naam, zulk een terugdringen van de duisternis door het licht van Gods Woord, voegt dan in al de kringen van menschelijk saamleven; kringen, welke wij, menschen, niet hebben gemaakt, maar die langs natuurlijken weg en naar Gods ordinantie zijn geworden; kringen waarin gij wordt geboren, die gij niet vormt, maar vindt, en die door de zonde wel zijn ontheiligd, maar die gij in de kracht van uw God weer heiligen moet.

Sluiten