Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

280

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — REVELATIE

En tot die kringen behoort dan het gezin; de maatschappij met haar rijke verbijzondering van het gezellige leven, van handel en bedrijf, wetenschap en kunst; de Staat met zijn verhouding van overheden en onderdanen; en de Kerk als de vergadering der geloovigen, uitkomend in het zichtbare met haar ambten, de Kerk als instituut, als instelling. In al die verhoudingen is het uw plicht, de kennisse van Gods heiligheden, ons in de Schrift geopenbaard, te verbreiden, opdat uw medemenschen met u in die kringen weten te onderscheiden tusschen het heilige en tusschen het onheilige, en den Naam opheffen tegen wat in die kringen onheilig, onrein, zondig, ijdel is.

Opdat er blijve een Christelijk gezin, een Christelijke maatschappij, een Christelijk politiek leven; opdat vooral, voor zooveel aan u staat, uw Kerk niet verwereldlijkt worde, maar zij, als een lichtende stad op een berg, de zuivere kennisse van de heiligheden Gods verspreide. Waarom dan ook voortdurende reformatie van uw Kerk, terugdringen in haar van het „wereldsche", noodig is.

En dit alles geldt niet alleen van het saamleven met uw medemenschen die in enger zin uw naasten zijn, omdat God ze naast u heeft gesteld in uw gezin, op uw kantoor, in uw winkel, op uw school en in uw werkplaats; in uw dorp, uw stad en uw land; in uw plaatselijke kerk en de kerken in uw vaderland; maar deze plicht van het verbreiden van Gods Naam geldt ook voor u in betrekking tot heel de menschheid.

Immers, en dit is de hooge gedachte van de openbaringsreligie, waarop de antieke wereld nooit gekomen is en die thans in de anti-Christelijke wereld weer wegzinkt, daar is één menschheid, die door God uit éénen bloede geschapen is.

Ligt het op den weg der Kerk, door Zending te drijven, Gods openbaring, Zijn Naam te verbreiden onder Joden en Mohammedanen en Heidenen, opdat ook deze menschen weten te onderscheiden tusschen het heilige en het onheilige, — het is de plicht van ieder geloovige, op zijne wijze, en naar de omstandigheid waarin hij verkeert, aan dit werk der Zending mee te arbeiden.'

Waar nu de heilige liefde voor God is, zal er ook een lust wezen, een gewilligheid, om ook door het verbreiden van 's Heeren Naam onder onze medemenschen naar het derde Zijner geboden te leven.

* * *

Hoe nu niet slechts het weten te onderscheiden, maar ook het metterdaad onderscheiden; hoe niet slechts de theorie, maar ook de practijk, zich met elkander moeten verbinden, kan eerst bij de bespreking der volgende geboden, die als 's Heeren ordinantiën voor het saamleven met onze medemenschen gelden, in bijzonderheden worden uiteengezet.

Hier zij er alleen op gewezen, hoe zich aan dit verbreiden onder, ook een belijden van Gods Naam tegenover onze medemenschen moet paren.

Belijden toch is altijd tegenover een ander.

Eisch van het derde gebod.

Gelijk het dan ook in onzen Heidelberger bij de verklaring van dat gebod heet: „opdat Hij van ons recht bekend worde" (Antw. 99).

Sluiten