Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE- HEILIGE VLOEK EN HET HEILIGE LOT

283

Een vertroosting voor iedere benauwde ziel. Een vertroosting onder het lijden en de smarten des levens. Machtig en daarbij teeder en innig als dat andere psalmwoord: „En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren" (Ps. 50 : 15); dat andere psalmwoord, waarvan God zich voor Zijn kinderen zoo telkens een waarmaker betoont, maar waarbij velen hunner dan in de vervulling van het: „En gij zult Mij eeren", zoo dikwijls te kort schieten.

Een vertroosting is het, dat uw God u nabij is, als gij Hem aanroept; dat gij dus nooit alleen zijt, ook als de menschen u alleen laten; dat gij altijd uw God nabij u kunt hebben.

Maar ook is het voor 'n godvruchtige ziel een gewaarwording van ontzag, God nabij zich te hebben.

En deze vertroosting en die gewaarwording van ontzag heeft ook alleen de godvruchtige.

Want allen die Hem aanroepen niet in der waarheid, niet zóó, dat het van harte gaat en zij het ernstig meenen, is Hij niet nabij.

Van de huichelaars toch, van hen, die Hem maar aanroepen met hun mond en Hem maar eeren met hun lippen, blijft Hij verre, omdat hun hart verre van Hem blijft (Jes. 29 : 13).

Is het aanroepen van Gods Naam altijd een bidden, dit bidden nu kan op verschillende wijze geschieden.

Wij hebben vroeger gezien, hoe het aanbidden, als een inblijvende daad onzer ziel, nog weer te onderscheiden is van het bidden. Wij kunnen God aanbidden in ons hart, zonder dat daarbij nog een woord over onze lippen komt. Maar ook wanneer wij daarbij woorden geven aan wat er in ons hart is, wanneer wij de stemming der aanbidding uitdrukken in hoorbare klanken, is dit aanbidden, deze adoratie, nog iets anders dan het bidden in enger zin. Dit bidden in enger zin toch is een aanroepen van Gods Naam, een aanroepen van den zich openbarenden God om uitredding uit geestelijken of stoffelijken nood; uit eigen of ook uit anderer nood, dien wij dan medevoelen en medelijden. En aan dit bidden paart zich dan straks het danken. Nu is het 's menschen plicht, zoowel God aan te bidden als tot Hem te bidden.

Zeker, deze tweeërlei ziele-actie is niet streng te scheiden, ook al is zij te onderscheiden. In het Onze-Vader, dat de Heere Jezus, zooals het bij Mattheüs staat, met Zijn: „Gij dan bidt aldus:" (hoofdst. 6 : 9—13) ons als een formuliergebed heeft gegeven, en zooals het bij Lukas staat met Zijn: „Wanneer gij bidt, zoo zegt:" (hoofdst. 11 : 2—4) ons als een model of voorbeeld van 'n gebed heeft gegeven, vindt gij zoowel het aanbidden als het bidden in enger zin.

Toch kan men zeggen, dat het aanbidden als inblijvende actie des harten bijzonderlijk een plicht is, geëischt door het eerste gebod, en het aanbidden met woorden meer een plicht is, geëischt door het tweede gebod, terwijl het bidden in enger zin, zoowel aan het tweede als derde gebod is gebonden.

Daarom zullen wij dan hier ook niet herhalen, wat reeds bij de bespreking van het eerste en het tweede gebod over het aanbidden, en

Sluiten