Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPIRITISME

323

XII.

SPIRITISME.

(Slot.)

Er komt een oud man op, en hij is met eenen mantel bekleed.

1 Samuel 28 : 14.

Van de drie vormen — superstitie, theosophie en on-christelijke philosophie — waarin de zonde tegen het derde gebod als een laten liggen of niet-gebruiken van Gods openbaring en het zoeken van een andere, zich ook nog in onze dagen onder de Christenvolkeren openbaart, is de eerste in de laatste twee hoofdstukken besproken.

Het vorige hoofdstuk handelde van het spiritisme of het oude spokéngeloof, als de superstitleuze of bijgeloovige tooverij van onzen tijd.

Valt het geloof geven aan de mogelijkheid, dat 'n mensch een contact of verkeer tusschen levenden en dooden hier op aarde bewerkt, als bijgeloof onder de zonde tegen het eerste gebod, en mag mitsdien door een Christen nimmer worden geloofd, dat bij de spiritistische verschijnselen metterdaad „geesten" of zielen van afgestorvenen in het spel zijn; mag hij m.a.w. de „geesten-hypothese" der spiritisten nimmer aanvaarden, — wij hebben in het vorige hoofdstuk getracht, voor die verschijnselen een andere verklaring in de plaats te stellen.

Deze verklaring nu, welke wij aan Von Hartmann, den Berlijnschen wijsgeer, ontleenden, wiens bevoegdheid om in deze materie te oordeelen, in wetenschappelijke kringen niet licht zal worden ontkend, is er eene uit natuurlijke, zij het ook ten deele nog onbekende oorzaken.

Het spiritisme verliest daarmee zijn zenuwbedervend, wijl beangstigend; zijn, wat men in sommige streken van ons vaderland noemt, „eng" karakter.

* * *

Wij zijn ons echter volkomen bewust, daarmee vlak in te gaan tegen de twee andere verklaringen, welke van antispiritistische zijde gewoonlijk worden gegeven, en wel die, bij welke men denkt aan „bedrog", en die, bij welke men denkt aan „duivelswerk". Ieder, die geen spiritist is, die niet in deze „bijgeloovige tooverij" verviel, en dus niet gelooft dat men „de dooden kèn vragen", van de afgestorvenen een revelatie of openbaring kèn krijgen, is er met ons van overtuigd, dat de spiritistische verschijnselen niet veroorzaakt worden door afgescheidene zielen; door menschenzielen, die sedert het sterven, of de scheiding van lichaam en ziel, in den „staat der afgescheidenheid" verkeeren.

Daarover zijn alle antispiritisten het eens; daarover loopt dan ook onder Gereformeerden geen verschil.

Dat ook op dit standpunt het onzedelijke, in enger zin het irreligieuze of ongodsdienstige van het spiritisme niets vermindert, is duidelijk.

Sluiten