Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPIRITISME

327

Maar 't was slechts geweest als een morgenwolk en als een vroegkomende dauw, die henengaat, deze „bekeering" van Saul. En na dien dag hebben zij elkander niet meer gesproken. Samuel was naar Rama gegaan en Saul naar Gibea. „En Samuel zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe" (1 Sam. 15 : 35).

„Doe mij Samuel opkomen," antwoordt de vermomde koning aan de vrouw, die een waarzeggenden geest heeft

Dan volgt dat lugubere verhaal van de „geestverschijning". Opeens slaakt de vrouw een kreet van ontzetting en wanhoop. Zij ziet Samuel.

Maar dat is niet, wat haar, de „geestenzienster", de spirltiste van professie, ontzet

Zij, de „helder-ziende", heeft op dit oogenblik in haar bezoeker den koning herkend en, düs aan hem verraden, waant zij zich reeds gevangen; weggesleept uit haar huis; ter dood gebracht En dan gilt zij, met door wanhoop verwrongen trekken op het gezicht, den koning toe: „Waarom hebt gij mij bedrogen ? Want gij zijt Saul!"

De séance is gestoord.

Eerst nadat de koning met zijn geruststellend „Vrees nief' en zijn zenuwachtig-nieuwsgierig: „wat ziet gij?' het medium weer tot kalmte heeft gebracht en haar aandacht op haar werk heeft gevestigd, kan de zaak hervat.

Weer ziet de vrouw.

Maar het is nu niet als straks een omlijnde gestalte. „Ik zie," zoo zegt zij tot den koning, „goden uit de aarde opkomende". De vage, de nog ijle gestalte, die zij thans ziet, weet zij niet beter te omschrijven dan als een bovenmenschelijk, een goddelijk wezen, opkomend uit den grond. Als Saul, die tot dusver zelf nog niets heeft gezien, daarna vraagt: „Hoe is zijne gedaante?" antwoordt zij: „Er komt een oud man op, en hij is met eenen mantel bekleed" (vers 14).

Ook nu blijkt niet, dat de koning zelf iets ziet.

Wij lezen alleen: „Toen Saul vernam, dat het Samuel was, zoo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich" (vers 14). En dit kan niet anders beteekenen, dan dat Saul, die immers gevraagd had, dat de vrouw Samuel zou oproepen (vers 11), toen hij uit de beschrijving van de gestalte, die niet hij, maar wel de vrouw ziet, begrijpt dat dit nu Samuel is — dit vooral begrijpt door wat zij zegt van dien mantel, den profetenmantel, waaraan zich voor hem de laatste herinnering aan den man Gods verbindt, — dat Saul nu in de richting waarin de vrouw staat, naar Oostersch gebruik, om zijn eerbied voor den ongezienen Samuel te betuigen, het aangezicht naar den grond neigt en zich neerbuigt

En dan hoort Saul wat, maar hij ziet niets.

Sluiten