Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MISBRUIKEN VAN DE OPENBARING IN HET EIGEN LEVEN 383

En waar düs door wederbarende genade de wil is omgezet, maar er toch nog altijd gezondigd wordt, is in dat zondigen gradatie; zoowel in de wijze waarop, als het doel waarmee Gods openbaring wordt gebruikt

Omvat die openbaring niet alleen wat* Hij ons bekend heeft gemaakt in de Schrift, maar ook wat Hij ons te kennen geeft in de natuur, in het leven der menschheid en in ons eigen gemoedsleven, het verraadt zeker gemis aan vreeze en eerbied, wanneer men voor deze algemeene openbaring onverschillig is.

En nu kan niet worden ontkend, ook zonder dat men het „dwepen met de natuur" zou willen aanprijzen, dat er toch een onaandoenlijkheid bij vele Christenen is voor de wonderen van Gods schepping. Wel weten ook zij uit hun Bijbel, dat Gods „onzienlijke dingen van de schepping der wereld aan, uit de schepselen worden verstaan en doorzien, beide Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid" (Rom. 1 : 20); wel belijden wij, Gereformeerde Christenen, dat de wereld voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die óns deze onzienlijke dingen geven te aanschouwen; maar de lust om uit die wereld Gods heerlijkheid te verstaan, uit het boek der natuur te leeren Zijn wondere werken, is bij vele Christenen bedenkelijk gering.

God heeft Zijn wereld lief, als het werk Zijner handen.

En die God liefhebben, moeten daarom ook de wereld liefhebben, gelijk men onder menschen liefde en eerbied heeft voor de werken van hen die men mint '

Maar wat dan te denken van vele Christenen, die voor de schoonheid der wereld zoo niets voelen; voor wie van de bloemen in gaarde en veld, van de boomen in het bosch, van de wuivende korenhalmen op den akker, van het zingen der vogels, van het stralende zonlicht en den helderen sterrenhemel zoo niets geen bekoring uitgaat; dien het ook niets kan schelen, hoe dat alles door hun God is ingericht en wordt onderhouden, en die, om hun gemis aan liefdevol voelen voor en belangstelling in Gods werken te bedekken, dan nog met een schijn van vroomheid beweren, dat dit alles maar „wereldsch" is?

Dit is een zich vergrijpen aan Gods openbaring.

Bij Israëls profeten en psalmisten, bij Jezus zelf en Zijn apostelen vindt ge dat zoo heel anders.

*

En evenmin kan verder worden ontkend, ook al zal men niet prijzen het leven in de breedte tegenover het leven in de diepte, dat er toch ook bij vele Christenen een onaandoenlijkheid is voor de leidingen Gods in het leven der volkeren. Wel lezen ook zij in hun Bijbel: „Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, voor het navolgende geslacht verteliende de loffelijkheden des Heeren, en Zijne sterkheid, en Zijne wonderen, die Hij gedaan heeft" (Ps. 78 : 4). Maar wat men noemt

Sluiten