Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

396

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — REVELATIE

of een kettersch mensch hij is, die dwaalleer verkondigt, d. w. z. een leer, die zich stelt tegenover de „gezonde leer" van het Evangelie, zoo is in het algemeen hij een ketter, die afwijkt van de leer der Kerk. Toch moet hier nog iets bij.

Niet alle afwijking van de leer der Kerk is reeds ketterij.

De ketterij toch gaat altijd gepaard met een hardnekkig vasthouden aan een meening, die van de leer der Kerk afwijkt

Het kan toch zijn, dat iemand uit onkunde van de leer der Kerk afwijkt; dat hij dus zonder opzet en zonder het zelf in te zien, een on-Christelijke of imin-zuiver Christelijke meening heeft

Daarom is hij dan echter nog geen ketter.

Hij betoont zich dat eerst, wanneer hij, na meermalen te zijn weerlegd, aan zijn dwaling hardnekkig blijft vasthouden en dus een on-Christelijke of min-zuiver Christelijke leer drijft.

En deze ketterij kan dan niet alleen betrekking hebben op de leer des geloofs, maar ook op de levensleer, ook op wat men noemt de Christelijke zedeleer.

Wijl nu overeenstemming met de geldende kerkleer orthodoxie is, zoo kan men de ketterij omschrijven als den hardnekkigen tegenstand tegen de orthodoxie.

Om dus het begrip ketterij klaar en duidelijk te verstaan; om te verstaan waarom de haeresie of de ketterij een groote zonde is, een zonde tegen het derde gebod; moeten wij ook het begrip orthodoxie wat nader bezien.

Beginnen wij ook hier met de verklaring van het woord.

Het woord „orthodoxie", dat wij uit het Grieksch hebben, bestaat uit twee deelen, „orthos" = recht en „doxa" = meening. Het ziet dus op den rechten zin of de rechte meening, tegenover een verkeerden of onwaren zin, en wij kunnen het daarom ook overzetten met „rechtzinnig".

De orthodoxie is dus de rechtzinnigheid.

Deze rechte meening of zin nu, waartegen dan een andere zich over stelt als de verkeerde meening of de onrechtzinnigheid, gaat omtrent den Inhoud der Schrift

Het is voor ons zeker, dat de waarheid, welker kennis voor ieder tot zaligheid noodig is, door heel de Schrift heen in zoo eenvoudigen en bevattelijken vorm wordt voorgedragen, dat iemand, wien het om de zaligheid zijner ziel te doen is, uit de Schrift die waarheid kan leeren kennen. Toch wordt daarmee ook door ons allerminst ontkend, dat de Kerk van Christus veel rijker en dieper de Schrift verstaat dan iemand, die, zonder van wat zij daaromtrent weet kennis te hebben genomen, voor het eerst tot de Schrift komt. Geef iemand, die nooit godsdienstonderwijs heeft genoten, in zijn ouderlijk huis van de Schrift niets vernam, geen Christelijke school bezocht en nooit op een catechisatie is geweest een Bijbel in handen, dan kan het zeer zeker mogelijk zijn, dat hij uit dien Bijbel de voor zijn zaligheid noodige kennis opdoet, doch veel, zeer veel van wat hij leest zal hij niet verstaan, ja zelfs misverstaan.

Sluiten