Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

420

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — REVELATIE

Om echter niet mede schuldig te worden aan zulk een zware zonde van zijn naasten, is het dan ook geraden, in het onderling verkeer niet dan in de uiterste noodzakelijkheid van een ander een eed te vergen. En al mag de Overheid van hare onderdanen zeker een eed vorderen, ook zij heeft dit niet dan in de uiterste noodzakelijkheid te doen.

Bij Israël waren de gevallen, waarin althans een eed voor het gerecht door de wet was voorgeschreven, vrij beperkt.

Het eene was, wanneer iemand van een ander geld of goed in bewaring had ontvangen en dit dan uit diens huis was gestolen. Werd nu de dief niet ontdekt, dan moest de man, aan wien het was toevertrouwd, zweren, dat hij zijn hand niet had uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste (Exodus 22 : 7 en 8).

En het andere geval was, wanneer iemand van een ander een stuk vee in bewaring had ontvangen, en dit dan, zonder dat iemand het had gezien, was gestorven of beschadigd. De man, aan wien het vee was toevertrouwd, moest dan zweren, dat hij aan het ongeval onschuldig was (Exodus 22 : 10 en 11).

Zelfs een eed, door getuigen af te leggen, kende de Israëlietische wetgeving niet.

Wel Beeft men gemeend, dat er van zulk een eed sprake is in Leviticus 5 : 1 en Spreuken 29 : 24.

Op de eerste plaats staat: „Als nu een mensch zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft eene stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen."

Op de tweede: „Die met eenen dief deelt, haat zijne ziel; hij hoort eenen vloek, en hij geeft het niet te kennen."

In beide plaatsen wordt het woord, dat in onze Statenvertaling met vloek is overgezet, door sommigen vertaald met eed. Ook dan echter is in beide plaatsen geen sprake van een onder eede stellen van getuigen; de getuigen legden geen eed af, maar zij hoorden slechts de bezwering van, den rechter, of van de beschuldigers, om te zeggen wat zij wisten. Wie dan, voor het geval, dat hij iets van de zaak wist, zweeg, bezondigde zich.

Daarom zegt dan ook de Spreukendichter, dat „wie deelt met eenen dief, zijne ziel haat", want het gevolg van zijn oneerlijkheid kan wezen, dat, waar hij straks voor het gerecht de bezwering hoort om te zeggen wat hij weet van den diefstal, hij zwijgt en zich dus nog zwaarder bezondigt.

*

Gelijk bekend is, wordt ook ten onzent de meineed door den aardschen rechter gestraft. Hij, die opzettelijk een valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in een strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. Volgens het Mozaïsche recht werd echter, evenals bij de oude Romeinen, de meineedige uit-

Sluiten