Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ISRAËLIETISCHE SABBAT VOOR DE BALLINGSCHAP

449

dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft"

En eindelijk brengt in later dagen de profeet Ezechiël het Godswoord: „Daartoe ook gaf Ik hun Mijne Sabbaten, om een teeken te zijn tusschen Mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Heere ben, die hen heilige" (Ezech. 20 : 12).

Een teeken nu beteekent iets.

De Sabbat als teeken zag allereerst op het verbond tusschen den Heere en Zijn Israël (vgl. Exodus 31 : 16). In den Sabbat, die alleen Israël had, bezat het feitelijk een teeken van uit alle volkeren der aarde door zijn God geheiligd, afgezonderd te zijn.

Maar ook was de Sabbat met zijn rust teeken in nog anderen zin. Om dit te verstaan, moet men den Sabbat bezien in betrekking tot de zonde. Indien de zonde niet ingekomen ware in de menschenwereld, zou er zeker toch Sabbat zijn geweest, want de rustdag op zes werkdagen is een scheppingsordinantie; maar nooit zou dan de Sabbat teeken zijn geworden.

De onrust, die de zonde na zich sleept; de ellende en jammeren, die zij met zich brengt; zullen echter voor al Gods volk met de zonde zelf eens worden weggenomen. Voor hen is het einde van het wereld-verloop blij-eindigend. „Er blijft dan eene rust over voor het volk Gods", zegt de schrijver van den Hebreënbrief (h. 4:9). Van deze zalige ruste der eeuwigheid nu was voor het Israël der woestijn het verblijf in Kanaan een afschaduwing. Dan, dit Israël der woestijn had grootendeels zich zelf door zijn zonde van de rust in Kanaan buitengesloten. Daarom wordt Israël dan ook in later dagen vermaand, niet te doen als de „vaderen" bij Massa en Meriba, omtrent wie de Heere in Zijnen toom gezworen heeft: „Zoo zij in Mijne rust zullen ingaan I" (Ps. 95 : 11).

Maar van deze zalige ruste der eeuwigheid was nu ook voor Israël in Kanaan de Sabbat een teeken.

Israël was het uit Egypte verloste volk.

Voor het geestelijk Israël was deze verlossing afschaduwing van nog hooger verlossing; en van die hoogere verlossing van de onrust der zonde was nu de Sabbat 'n teeken.

Vandaar, dat ook in Deuteronomium 5 : 15 de verlossing uit Egypte tot een drangreden voor het onderhouden van den Sabbat voorkomt

En juist nu, omdat voor Israël de Sabbat óók was 'n teeken, was zijn Sabbatsrasf niet maar alleen middel om tijd voor den godsdienst te hebben, of verbruikte arbeidskracht te herstellen, maar had deze rust ook een doel in zich zelf.

Dat is het typische of schaduwachtige van den Israëlietischen Sabbat.

Geen werk doen; niet slechts geen „dienstwerk", maar heel geen „werk".

Het vleeschelijk Israël verstond niets van deze dingen. Maar 's Heeren uitverkorenen zagen ook door deze schaduw heen. En dezelfde profeet Jesaja, bij wien het ongeestelijk Sabbat-houden

Ordinantiën lil 29

Sluiten