Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ISRAËLIETISCHE SABBAT NA DE BALLINGSCHAP

455

„goed werk", al meer lieten voorstaan. Iets, wat er niet weinig toe bijdroeg, om straks in de uitwendige naleving van het gebod der Wet, ook al ontbrak de gezindheid der heilige liefde, reeds zijn vervulling te zien.

In dit nomistisch of wettisch karakter, dat de Joodsche vroomheid in het algemeen al meer kenmerkte, ligt dan ook het eigenaardige van den Israëlietischen Sabbat na de ballingschap.

*

De omstandigheden hebben meegewerkt om deze wettische Sabbatviering al dieper wortelen te doen schieten in het Joodsche leven.

Met name geldt dit van de religievervolging onder Antiochus Epifanes. Toen toch de Joden sedert Alexander den Groote van de Perzische onder de Grieksche heerschappij waren gekomen en daarna sedert Alexander's dood, in 333 vóór Chr., onder het huis der Ptolemeën, welks stamvader Ptolemeüs I van uit zijn nieuw gestichte hoofdstad Alexandrië over Egypte heerschte, kwamen zij eindelijk onder het huis der Seleuciden, welks stamvader van uit Antiochië aan de Orontes, Syrië beheerschte.

Onder Antiochus Epifanes nu, den Syrischen koning van Griekschen bloede, die van 175—164 vóór Chr. regeerde, brak over Juda en Jeruzalem een ware religievervolging uit

Het ging er toen weer om, of de Joodsche religie zou blijven bestaan, dan wel op de aarde vernietigd worden; of het Jodendom met zijn eigen zeden en gebruiken, zijn Wet en zijn Tempel, zou blijven voortleven, dan wel verzwolgen worden door den machtigen stroom van het Grieksche leven, die sedert Alexander zich gestort had over de volkeren van het Oosten. En het gevaar was des te grooter, wijl zelfs in Jeruzalem, reeds in de dagen der Ptolemeën, naast en tegenover de partij der nationalisten, der „vromen", die, vasthoudend aan de Wet en de voorvaderlijke zeden, en gekant tegen alle aanraking met de heidenen, zich een partij onder de Joden gevormd had van wereldsch-gezinde Griekenvrienden.

* *

Het zou ons te ver van ons onderwerp afvoeren, indien wij van deze religievervolging — o. a. in de boeken der Makkabeën uitvoerig verhaald — al de bijzonderheden mededeelden.

Daarom zij hier slechts even herinnerd aan de poging om Jeruzalem te „vergriekschen", beproefd door een van Antiochus' creaturen, den hoogepriester Jason, met zijn worstelperk, waarin de Joodsche jongelingschap zich naar Grieksche wijze moest oefenen en waarnaar priesters, wegloopend van het altaar, dan gingen kijken; aan het bloedbad in de straten van Jeruzalem, aangericht door Antiochus zelf, gevolgd door zijn berooving van den tempel, waarbij een andere hoogepriester, Menelaüs, laaghartig genoeg was hem den weg te wijzen; herinnerd vooral aan wat twee jaren later gebeurde, toen de koning, vertoornd omdat hij in Egypte voor de macht der Romeinen had moeten bukken, zijn booze luim aan de Joden deed ondervinden. Zelf doormarcheerend, aan het hoofd van zijn leger, naar Antiochië, zond hij zijn generaal Appolonius

Sluiten