Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

456

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE SABBAT

met een deel der troepen naar Jeruzalem. Op een Sabbat, toen de „vromen" schier geen weerstand durfden bieden, werd opnieuw in de straten een bloedbad aangericht; werden huizen verbrand; een deel van de stadsmuren omvergerUkt. Dan, het ergste moest nog komen.

In 167 zond de koning uit Antiochië bevel, dat de Sabbat en de feesten niet meer mochten gevierd, geen besnijdenis meer verricht, Jehova's tempel verontreinigd en gewijd moest aan Zeus Olympius. In December van dat jaar werd op een klein heidensch altaar — „de gruwel der verwoesting", zooals het in 1 Makk. 1 : 58 en Daniël 11:31 en 12 : 11 heet — geplaatst op 's Heeren brandofferaltaar, een zwijn, het gewone offerdier voor den Olympischen Zèus, geofferd. Moeders, die haar kinderen hadden laten besnijden, werden, met de lijkjes dier kinderen om den hals, door de soldaten van de stadsmuren te pletter geworpen.

*

Dat toen Antiochus' boos opzet niet is gelukt; dat het Jodendom niet is vernietigd; is in den middellijken weg te danken aan de partij der „vromen", aan wier hoofd zich de oude Jeruzalemsche priester uit Modin met „zijn vijf zonen" stelde. Mattathias en, na diens dood, in 166, zijn beide zonen Judas „de Makkabeër", d. i. de temer, de eigenlijke held van den opstand, en in zijn doen „gelijk een leeuw en als een jonge leeuw, die losbrult op zijn prooi" (1 Makk. 3:4), bijgestaan door zijn ouderen broeder Simon, „een man des raads" (2 : 65), hebben hun vaderland en volk, en daarmee de religie gered.

In December van 165 n. Chr., juist drie jaren nadat het zwijnenoffer in Jeruzalem's tempel aan Zeus was gebracht, werd onder Judas den Makkabeër, hoewel de Syrische troepen den burcht nog bezet hielden, het heiligdom gereinigd en hersteld, het ontwijde brandofferaltaar vernieuwd en 's Heeren huis opnieuw ingewijd; een feit, door de Joden ieder jaar op het „feest der vernieuwing des tempels** herdacht (Joh. 10 : 22).

*

Wordt het bezit van een zaak des te hooger gewaardeerd, wanneer men ze tijdelijk heeft moeten missen, ook Israël waardeerde door de Syrische vervolging zijn Sabbat des te hooger. De „vromen" hadden hem voor hun volk gered. Hün invloed op de Joodsche religie zou voortaan beslissend zijn en daardoor ook wat men „Sabbatisme" noemt, al dieper indringen in het Joodsche volksleven, 't Was maar niet bijkomstig geweest, dat in den eersten tijd van den opstand tegen de Syriers een duizendtal van Mattathias' aanhangers, toen zij, op een Sabbat, door de soldaten in hun schuilhoeken werden aangevallen, zich met vrouwen en kinderen liever weerloos lieten slachten, dan zich te verdedigen (1 Makk. 2 : 38); niet bijkomstig, dat andere hunner geestverwanten, in spelonken saamgekomen om heimelijk den Sabbat te vieren, na aan den vijand te zijn verraden, zich daar, zonder een poging tot redding te wagen, lieten verbranden, „omdat zij voor zelfverdediging zich

Sluiten