Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ERUB

467

Van autonomie of zelf-wetgeving spreekt b.v. de apostel Paulus, wanneer hij van de heidenen — en hij heeft daarbij het oog op de Romeinen en de Grieken — die de Wet van Mozes niet hebben, zegt, dat zij „zich zeiven eene wet zijn" (Rom. 2 : 14).

Daar waren toch dingen, die men ook In de heidenwereld niet deed. Niet deed, wijl men ze niet wilde doen, omdat men zelf wist, dat ze gemeen, verachtelijk, schandelijk, slecht, in één woofd onzedelijk waren.

Men vond in zijn binnenste een wet, een regel, die dat verbood; vond die in zijn eigen bewustzijn, in zijn eigen zelf; in zijn beseffen van goed en slecht.

Daarentegen vond men, levend in gemeenschap met andere menschen, in huisgezin, maatschappij en staat, ook wetten, die men niet zich zelf, maar die 'n „ander" had opgelegd.

Die „andere" was dan öf de Overheid öf hij die in het gezin of in een socialen kring de bevoegdheid had, zijn wil als wet op te leggen.

Nu was er, ook in de heidenwereld, wel besef, het zedelijk besef, dat men aan het gezag moet gehoorzamen; doch ook in tal van bijzondere gevallen liet men na, wat die wetten van een „ander" verboden, niet omdat men in zijn „eigen" bewustzijn de overtuiging had dat het slecht was, maar alleen omdat een „ander" het verbood; omdat men voor het doen van wat die wetten van een „ander" verboden, de gevolgen min of meer vreesde.

In zulk een geval voelde men, dat men stond onder de wet van 'n „ander"; had men de heteronomie.

* * *

Wijl nu het zedelijke, in zijn tegenstelling met het niet-zeddljke of het natuurlijke, juist het „gewilde", hef „vrijwillige" is, voelt ge dadelijk, hoe bij zulk een heteronomie het echt zedelijke ophoudt

Dat het bloed door onze aderen stroomt; onze harten groeien; onze maag het voedsel verteert — is het natuurlijke; is wat van onzen wil onafhankelijk is.

Maar dat wij onze hand uitstrekken en met onze vingers een voorwerp grijpen; dat wij onze beenen in beweging zetten en ergens heen loopen — is gewild en in dien zin zedelijk.

Dan, zoo verstaat ge ook, dat, wanneer iemand niet steelt of moordt, alleen omdat hij de gevolgen vreest, die de menschelijke «trafwet aan diefstal of moord verbindt, maar overigens, als hij maar zeker wist, dat het nooit uitkwam, het o, zoo graag zou willen, — zulk een mensch voor de wet zeker geen moordenaar of dief is, maar toch allesbehalve zedelijk mag heeten; verstaat ge, dat bij zulk een heteronomie de echte zedelijkheid weg is. Zulk een mensch toch is niet eerlijk öf menschlievend, maar houdt eenvoudig zijn handen van het goed of van de keel van zijn naaste af, uit vrees voor straf.

Sluiten