Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

470

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE SABBAT

eenstemming van het handelen met de letter der- wet, zonder dat de gezindheid er bij in aanmerking komt, èn de werkheiligheid met haar nasleep van geestelijken hoogmoed en eigengerechtigheid.

i

En gelijk het nu op het legale standpunt altijd en overal gaat, zoo ging het ook hier.

Wanneer het er ten slotte slechts op aankomt, te voldoen aan de letter van de wet, en de gezindheid niet meetelt, wordt het al meer de vraag, hoe ver men wel gaan kan, zonder met de letterlijke bepaling in conflict te komen. tïjy¥l

Een merkwaardig voorbeeld hiervan levert de nadere interpretatie of uitlegging, die de Schriftgeleerden en Farizeën gaven van het laatste der 39 „verboden hoofdwerken": „het dragen van het eene gebied in het andere".

Indien het niet een zoo ernstige zaak gold, zou de vernuftige wijze, waarop Joodsche scherpzinnigheid hier wegen en middelen vond om het gebod metterdaad te ontduiken en toch schijnbaar te vervullen, niet onvermakelijk zijn.

Wat wij hier bedoelen, was de z.g. Erub of „Vermenging", n.1. van de gebieden.

Het verbod om op Sabbat een voorwerp van het eene gebied in het andere te dragen, stuitte in de practijk op allerlei moeilijkheden.

Het begrip toch, dat men hechtte aan een „gebied", was vrij eng. Het reikte niet verder dan de eigen woning. Men mocht dus niets van het eene huis in het andere dragen.

Het diepe probleem was nu, om, zonder in te gaan tegen de letter van het verbod: „niet dragen uit het eene gebied in het andere", toch vrijheid van beweging te krijgen.

En hier bleek nu de Erub of „Vermenging der gebieden" een beproefd middel.

Men begon, om het probleem tot zijn oplossing te brengen, met verschillende privaat-gebieden of woonhuizen te „vermengen" tot één gemeenschappelijk gebied.

Huizen, die in één hof of omtuining lagen, werden voor de bijzondere gelegenheid als het ware tot één huis gemaakt.

En wel aldus.

„Telkens, vóór de Sabbat aanvangt," zoo doceerden de Schriftgeleerden, „moeten de gezamenlijke bewoners van zulke huizen op een bepaalde plek in de buurt wat spijs neerzetten, waarmee zij dan te kennen geven, dat op Sabbat heel de hof of omtuining waarin hun huizen liggen, als één gemeenschappelijk gebied geldt. Daardoor is het dan den gezamenlijken bewoners geoorloofd, op Sabbat binnen dit gebied in en uit te dragen."

Straks werd daarbij door de Schriftgeleerden ook nog voorgeschreven,

Sluiten