Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

482

VAN 'S HEEREN ORDINANTIËN. — DE SABBAT

De Christus is Heere ook van den Sabbat; niet bij hen, maar bij Hem, is de bevoegdheid, te beslissen wat de rechte Sabbatsviering is. Gelijk tot andere dingen, heeft Hij ook daartoe de macht. Hij is Heere ook van den Sabbat.

* *

En nu zien wij Hem voortaan ook van die macht gebruik maken; den wil des Vaders — als onze hoogste Leeraar en Profeet — op het stuk van den Sabbat, tegenover de heteronomie of de wetten, die de Farizeën aan Israël hebben opgelegd, door Zijn daden kenbaar maken.

Nog op dienzelfden rustdag, waarop het gesprek over den Sabbat, in het korenveld had plaats gehad, gaat Hij, naar Zijn gewoonte, in de naburige synagoge en geneest daar een mensch, hebbende een „verdorde hand" (Matth. 12 : 9—14; Mark. 3 : 1—5; Luk. 6 : 1—11).

Daar is in deze genezing op den Sabbat iets opzettelijks.

Zeker, de man met de „verdorde hand" was allerminst in dringend levensgevaar. De genezing had ook kunnen wachten tot na zonsondergang. Doch tegenover de practijk der Farizeën wilde Jezus toonen, dat men ook op den Sabbat mag goed-doen; een mensch weldadigheid bewijzen; werken van barmhartigheid verrichten.

Het conflict wordt al bedenkelijker van aard.

De Farizéëttliepen, hun deftigheid vergetend, boos weg uit de synagoge en belegden een vergadering met hun politieke tegenstanders, de Herodesvrienden.

Het agendum was: hoe men Jezus dooden zou. Dat mocht nu wèl op den Sabbat!

* *

En de Heere gaat voort.

In een lateren tijd van Zijn werkzaamheid als leeraar in Israël leert Hij op een Sabbat in een synagoge, waarschijnlijk van Perea of het Over-Jordaansche. Een vrouw, achttien jaren lang in elkaar gebogen zoo, dat zij zich niet kan oprichten, legt Hij de handen op en zij wordt terstond weer recht. De overste der synagoge roept verstoord uit: „Er zijn zes dagen, in welke men moet werken: komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des Sabbats" (Lukas 13 : 10—17).

Aan den Sabbatsdisch bij den Farizeër geneest Hij in datzelfde Perea een waterzuchtige (Lukas i4 : 1—6).

* * 1

Ten slotte zij hier nog vermeld de genezing op een Sabbat te Jeruzalem, door Jezus aan een blindgeborene verricht (Joh. 9). Het schijnt een bekende straatfiguur in Jeruzalem te zijn geweest (vers 8), die, naar wij vermoeden, evenals de kreupele uit Hand. 3 : 2 zijn vaste plaats had, „om een aalmoes te begeeren van degenen, die in den tempel gingen," — bij een der poorten van het heiligdom. Is dit vermoeden juist, dan

Sluiten