Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GROND VOOR DIE OMZETTING

501

Dit alles toch — verboden spijzen en dranken, jaarlijksche en maandelijksche feesten en ook de wekelijksehe Sabbat — is een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is Christus.

De Apostel stelt hier „schaduw" tegenover „lichaam"; de inzeftingeU der Wet, welke hij in vers 16 op het oog heeft, als in den tijd der belofte afschaduwende, wat eens, in den tijd der vervulling, den tijd, die nu tegenwoordig was, werkelijk zou worden in Christus.

En wijl nu Christus al wat Hem dus onder de oude bedeeling afschaduwde, wat type of teeken van Hem was, vervuld heeft, mag een Christen, die dat verstaat, deze inzettingen der Wet niet meer houden.

Daartoe behoort, naar onzen tekst, dan ook de Israëlietische Sabbat. Zeker bestrijdt de Apostel hier niet op zich zelf het zich onthouden van sommige spijzen en ook dranken — tegen de „geheel-onthouding", het zij in het voorbijgaan opgemerkt, bewijst Colossensen 2 : 16 en 17 dan ook niets; — en zoo ook bestrijdt de Apostel hier niet op zich zelf het houden van jaarlijksche en maandelijksche feesten en van een wekeHjkschen Sabbat of rustdag, maar wat hij uitsluitend bestrijdt is, dat men dit alles doet omdat men er zich, krachtens de inzettingen der Wet, de Wet der schaduwen, toe verplicht zou achten.

*

Dit toch is een dwaling. De dwaling, dat er geen onderscheid is tusschen de oude en de nieuwe bedeeling van het ééne Verbond der Genade, iets waarin de Heilige Geest met name den apostel Paulus bijzonder had ingeleid; de dwaling van het Judaïsme, aan welks bestrijding de Apostel een goed deel van zijn leven heeft gewijd. Een strijd, die zich in de Apostolische eeuw concentreerde op het stuk van de besnijdenis, en waarbij de tegenstanders van Paulus de heidenen eerst tot Joden en dan tot Christenen wilden maken en ze dus onderwerpen aan de Wet der schaduwen. De meeste brieven van den Apostel gunnen ons een blik op dezen strijd. Men verstaat ze niet, als men daarmee geen rekening houdt.

En gelijk nu tegen al dat nog willen aanhouden onder de nieuwe bedeeling van wat onder de oude bedeeling slechts als schaduw heeft gediend; strijdt de Apostel ook tegen het houden van den zevenden dag der week als Israëlietischen Sabbat. In nog sterker woorden dan hier in den brief aan Colosse, doet hij dat in den brief aan de kerken van Galatië, wanneer hij schrijft — juist met het oog op dat waartoe de Judaïsten of Joodschgezinde leeraars de geloovigen uit de heidenen aldaar hadden verleid: „En nu, als gij God kent, ja veel meer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen? Gij onderhoudt dagen en maanden en tijden en jaren. Ik vrees voor u, dat ik niet eenigszins tevergeefs aan u gearbeid heb" (Gal. 4 : 9—11). Op welke plaats bij het woord „dagen" men hier èn aan de Joodsche vasten- en feestdagen èn aan den Joodschen Sabbat moet denken.

Sluiten