Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

heeft opgelegd. De natuurwetten moeten werken en gij zult handelen, zooals God het wil.

* * *

Om te doen kennen die vastheid van 's Heeren ordinantiën, waaraan heel het wereldverloop is gebonden, en die met 's werelds begin en einde vastliggen in Gods Raad, gaat deze studie bovenal. Daarom moest ons Inleidend Deel dan ook 's Heeren ordinantiën èn in betrekking tot Zijn souvereiniteit en almacht èn in haar tegenstelling met de leer van het noodlot èn in die met de leer van het toeval bespreken. Het Fatalisme toch erkent ook wel een vastheid in het wereldgebeuren, maar verklaart haar niet uit de ordening van den boven de wereld verheven, levenden en heiligen God, terwijl het Casualisme juist zulk een vastheid ontkent. En verder, wijl de Schrift, in wat zij openbaart omtrent de schepping of het ontstaan der wereld, bepaaldelijk omtrent de z.g. „tweede creatie" of de ordening van de geschapen wereldstof, gedurende het „werk der zes dagen", ons gansch iets anders doet kennen dan de tegenwoordige Evolutieleer in haar toepassing op het ontstaan der wereld onderstelt, diende ook deze tegenstelling te worden besproken. Vooral was dit noodig met het oog op den ver reikenden invloed, die van deze theorie op onze tijdgenooten uitgaat.

En zoo is dan nu ons voornemen, te handelen over 's Heeren ordinantiën in de bestaande wereld, en wel bepaaldelijk in wat wij de natuur noemen.

Het zal daarbij echter noodig zijn, eerst den verschillenden zin van het woord natuur wat nader te onderscheiden.

* * *

Ons woord „natuur" hebben wij uit het Latijn, waar natura komt van. nasci, geteeld, geboren worden. De Grieken hadden voor dit denkbeeld een woord in physis, waarvan wij o. m. ons physisch, physica en physiologie —natuurlijk, natuurkunde en wetenschap van de „levende" natuur—hebben, en dat weer samenhangt met een woord, dat telen, voortbrengen beteekent.

Uit deze woordafleiding blijkt al dadelijk zooveel, dat „natuur" allereerst ziet op wat geworden, gewrocht, veroorzaakt is.

Bezinnen wij ons nu over het gebruik van het woord nog wat nader, dan vinden wij, dat het gebezigd wordt voor datgene, wat voor zijn wording, zijn ontstaan, niet hangt aan menschelijk willen en daaruit opkomend maken of handelen. Bij een bergstroom, een bloem, een dier toch, zullen wij spreken van natuur, maar daarentegen niet bij een kanaal, een ornament, een standbeeld. Het eerste is niet, het tweede wèl door menschen gemaakt, en als een kind in booze vernielzucht een vlinder verderft, zal een goede moeder het onder meer zeggen, dat het nog niet eens in staat is zulk een schepseltje te maken.

Zoo ook is het groeien van het graan op het veld, het: „eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar," waarop Jezus wees in Zijn gelijkenis van het zaad (Markus 4 : 28), nafaarwerking. Het geschiedt „vanzelf", uit eigen beweging, spontaan. „Want de aarde

Sluiten