Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STOFFELIJKE NATUUR

13

Onze zinnen toch worden aangedaan door de voorwerpen buiten ons. Wij „aanschouwen", d. i. wij zien niet alleen, maar wij tasten en ruiken en hooren ze ergens in de ruimte; zij nemen daar een plaats in, die niet te gelijlrdoor iets anders kan worden ingenomen. Deze plaats of aHbreiding in de ruimte is het eerste, wat zich voor ons verbindt aan het begrip stof. Een stoffelijk ding moet ergens zijn, en wel zoo, dat daar geen ander kan wezen; en juist daardoor wordt het dan voor ons zinnelijk waarneembaar. Zulk een ding noemen wij dan in zeer ruimen zin een „lichaam". Nu kunnen wij ons de natuurdingen niet anders* denken dan te zijn „ontstaan" uit datgene wat aan allen gemeen is en dus evenals de bijzondere dingen zich uitbreidt in de ruimte. Dit algemeene nu, waaruit al de bijzondere dingen zijn ontstaan en dat er dus als het ware de moeder van is, dat wat zich uitbreidt in de ruimte, is wat wij bedoelen, als wij spreken van de stof.

Meer kan er niet van worden gezegd; wat die stof is, weet alleen God, die- haar geschapen heeft.

Ja, het begrip „stof" wordt nog wonderlijker, indien wij bedenken, dat wij de stof zelf, waaruit alles ontstaat of wordt, nooit waarnemen. Wat toch onder onze zinnen valt, is altijd tot op zekere hoogte geworden uit die stof, en heeft reeds een gedaante, een vorm. Uit het zaad, in de aarde gestrooid, wordt de plant; maar ook die zaadkorrel heeft evenals de aarde een vorm. De „prima materia", de eerste vormlooze stof, zien wij niet. Spreken wij dan ook van „eigenschappen" van „de stof', zooals dichtheid, ondoordringbaarheid, deelbaarheid, elasticiteit, wij besluiten dan tot die eigenschappen uit wat wij waarnemen aan de stoffelijke dingen.

* *

Waar nu het weten van wat „de stof" is ons ontgaat, moet men zich wel tevredenstellen met gissen. Men heeft daaromtrent verschillende hypothesen of onderstellingen gewaagd, en de tegenwoordig meest gangbare is die, welke bekend is onder den naam van de atomenleer. Reeds vroeger, en wel in ander verband, is over deze leer door ons gesproken. Hier zij er slechts op gewezen, hoe bij haar wordt ondersteld, dat „de stof" zou bestaan uit kleinste deeltjes, welke niet verder te verdeden zijn; vandaar dan ook het woord atoom, dat letterlijk beteekent: wat niet te snijden, te deelen valt. Vooral sedert Dalton, die in de vorige eeuw leefde en deze hypothese met goed gevolg aanwendde ter verklaring van de ontdekkingen op het gebied van de scheikunde, vond zij bij de natuuronderzoekers algemeene verbreiding.

Nu zijn er tegen deze hypothese, zooals wij later zullen aanwijzen, zeer zeker bezwaren in te brengen. Alle verschijnselen verklaart zij niet, doch andere onderstellingen omtrent het wezen der stof doen het nog minder, en zij wordt bovendien gerechtvaardigd door het groot aantal verschijnselen, dat zij verklaart Slechts vergete men niet, dat zij slechts een onderstelling is; niemand heeft ooit atomen gezien.

Hetzelfde geldt ook van die andere theorie, welke de atomenleer bedoelt aan te vullen en bekend is als de aether-hypothese.

Sluiten