Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NATUURWETTEN

17

het kennen naast „stof" en „kracht" als een der grondbegrippen van de natuurstudie; wij vernamen, hoe men er gewoonlijk onder verstaat een uitspraak, welke aangeeft, wat onder zekere omstandigheden altijd en zonder uitzondering gebeurt. Bezien wij nu deze bepaling van „natuurwet" wat nader.

Een „natuurwet", zegt men, is een uitspraak, een bewering, en men bedoelt dan, dat wij menschen daarbij iets uitspreken of beweren, en wel omtrent datgene wat er gebeurt in de natuur. Wij denken daarbij allereerst aan de gewrochte of veroorzaakte natuur, en wel bepaaldelijk aan de zinnelijk-waarneembare of stoffelijke. Wat daar gebeurt en door ons waargenomen wordt, zijn veranderingen; veranderingen aan of in de natuurdingen. Wij nemen bovendien waar, dat die veranderingen met zekere regelmatigheid of vastheid plaats grijpen; dat b.v. de zon voor ons altijd en zonder uitzondering 's morgens vroeg op een andere plaats aan den hemel staat dan 's avonds; dat uit waterstof en zuurstof onder bepaalde omstandigheden en in de bepaalde verhouding altijd water wordt; dat de warmte de lichamen altijd doet uitzetten. Wijl wij nu deze veranderingen in de gewrochte natuur ons niet anders kunnen denken dan veroorzaakt door de krachten van de werkende natuur, schrijven wij die regelmaat of vastheid ook toe aan deze krachten. Spreken wij van „natuurwet", wij spreken daarmee uit, dat de natuurkrachten niet maar verward en onregelmatig, doch op een onveranderlijke, vaste wijze werken; m. a. w., dat onder zekere omstandigheden de wijze van werking van de kracht in de stof altijd constant of onveranderlijk is.

Reeds een oppervlakkige beschouwing der natuur overtuigt van deze onveranderlijkheid van het gebeuren. Hoe verder en hoe ernstiger het onderzoek der natuur echter wordt voortgezet, des te meer wordt men in deze overtuiging gesterkt. Het getal der „natuurwetten" vermeerdert dan; waar men tot dusver nog slechts verwarring zag, wordt regelmaat ontdekt; het gebied van het schijnbaar onregelmatige wordt steeds tot al kleiner grenzen teruggebracht.

Door waarneming; door experiment of proefneming, waarbij de onderzoeker, uit eigen beweging, in den gewonen gang der verschijnselen ingrijpt, en de natuurkrachten dwingt, onder door hem bepaalde omstandigheden te werken; door inductie of gevolgtrekking van het bijzondere tot het algemeene; en ook door vernuftige onderstellingen, kwam en komt men al meer en meer tot de vaststelling van de „natuurwetten".

Spreken wij bij een natuurwet van wat altijd en zonder uitzondering gebeurt, te recht laat de tegenwoordig gangbare bepaling daaraan voorafgaan: onder zekere omstandigheden.

Ordinantiën II 2

Sluiten