Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZON, AARDE, MAAN

69

op het vlak van de-ecliptica of aardbaan. De astronomen hebben gevonden, dat deze hoek thans ieder jaar ongeveer een halve seconde afneemt en na jaren 21° zal bedragen, om dan weèr tot 28° toe te nemen. De eindpunten van deze as zijn Noord- en Zuidpool. Zij wijzen, wijl de afwijking van de as zeer gering is, altijd naar een vast punt in de sterrenwereld, de z.g. poolsterren.

* *

#

Wij komen thans tot het vroeger reeds vermelde feit, dat als de aarde het dichtst bij de zon staat, het op het noordelijk halfrond winter, en als zij het verst van haar af staat, het op dit halfrond zomer is.

Wij hebben toen gezien, dat wanneer een planeet op haar baan het dichtst bij de zon staat, men spreekt van Perihelium, wanneer zij het verst af staat, van Aphelium. In onzen zomer nu staat de aarde in het aphelium, in den winter in het perihelium. In onzen zomer nu staat onze aarde wel het verst van de zon, doch de noordpool van haar as wendt zich dan juist naar de zon heen; in den winter, als de aarde het dichtst bij de zon staat, wendt echter de noordpool van haar as zich van de zon af. Hierdoor nu staat de zon 's middags in den zomer schijnbaar hooger aan onzen horizont dan in den winter; in waarheid echter staat de horizont 's middags in den zomer lager ten opzichte van de zon dan in den winter en wordt dientengevolge in den zomer iederen dag de aarde langer door de zon beschenen dan in den winter.

Hieruit verklaart zich ook het langer en korter worden van dagen en nachten. Aan de polen zijn de dagen en nachten even lang, en wel zoo, dat men daar afwisselend een half jaar dag en een half jaar nacht heeft. Naarmate men verder op de beide halfronden der aarde komt, neemt de wisseling toe, doch altijd zóó, dat de langste dag op het noordelijk, met den langsten nacht op het zuidelijk halfrond samenvalt. Deze tegenstelling geldt ook voor de jaargetijden.

Op het noordelijk halfrond begint de lente op 21 Maart, wanneer de aarde op haar baan in het teeken van den Ram staat; de zomer op

21 Juni, wanneer de aarde in het teeken van den Kreeft; de herfst op

22 of 23 September, wanneer zij in de Weegschaal, en de winter op 21 of 22 December, wanneer zij in den Steenbok staat. Wijl nu echter het z.g. lentepunt, of de plaats waarop de aarde bij het begin der lente in de ecliptica staat — dus in het teeken van den Ram — ieder jaar een geringe verschuiving van oost naar west heeft, ruim 50', en dit in 2150 jaren juist 30° bedraagt, — de grootte van een der 12 af deelingen van de ecliptica of den dierenriem, — zal het nu duidelijk zijn, waarom thans, na ruim 2000 jaren, de „teekens" en „sterrenbeelden" van den dierenriem niet meer tegenover elkander staan, en ook, dat zij na 23.800 jaren weer, gelijk voorheen, tegenover elkander zouden staan.

Bij haar jaarlijkschen loop om de Zon wordt ook onze planeet vergezeld door een Maan, welke zich bovendien in ongeveer één maand

Sluiten