Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZON, AARDE, MAAN

71

op, tot zij ongeveer 7 dagen na „nieuwe maan" in het „eerste kwartier" staat. Na ongeveer 3]/2 dag staat zij in de „tweede octant", om ongeveer 7 dagen na „eerste kwartier", als „volle maan" aan den hemel te staan. De geheel verlichte schijf gaat dan bij zonsondergang op en bij zonsopgang onder, en schijnt dus den geheelen nacht door. Van nu aan verliest zij op de rechterzijde harer schijf steeds meer aan licht, gaat 's avonds steeds later op, om na 3'/2 dag een donkere sikkel te vertoonen op haar overigens verlichte schijf, en staat dan in de „derde octant". Ongeveer 7 dagen na volle maan staat zij in het „laatste kwartier" en heeft de gestalte van een half verlichte schijf. Wederom verandert deze halve schijf zich meer en meer tot den sikkelvorm en komt na 3l/2 dag in de „vierde octant". Hoe meer de maan nu weer de zon nadert, des te smaller wordt deze sikkel, om ongeveer 14 dagen na volle maan weer „nieuwe maan" te worden.

* *

Over den invloed van de maan op het doen ontstaan van eb en vloed; op de weersgesteldheid; het leven van planten, dieren en menschen, kan eerst later, wanneer 's Heeren ordinantiën in de aardsche natuur zullen ter sprake komen, worden gehandeld.

Wij hebben thans nog kort te spreken over die verschijnselen, welke als „maans- en zonsverduisteringen" bekend staan.

Een maansverduistering kan slechts plaats hebben ten tijde van „volle maan".

Men ziet dan enkele malen, wanneer het volle maan is, hoe de geheel verlichte maan zoo donker wordt, alsof een duistere schijf van links naar rechts er langzaam overheen trekt, om haar óf gedeeltelijk óf geheel te bedekken. Dit nu geschiedt, wanneer de maan op haar baan juist in de ecliptica staat en alzoo de aarde tusschen zon en maan zich bevindt. Lag de baan der maan juist in het vlak der ecliptica of der baan die de aarde jaarlijks om de zon beschrijft, zoo moest er bij iedere volle maan een verduistering plaats hebben, want steeds staat dan de aarde tusschen zon en maan. Wij hebben echter boven reeds gezien, dat de baan die de maan bij haar omloop om de aarde beschrijft, met een hoek van 5° tegen de ecliptica neigt, d. w. z. de maan verheft zich op haar baan tot 5° boven en verdiept zich na ongeveer \3y2 dag tot 5° onder de ecliptica. De maan gaat dus zoowel opstijgend als neerdalend door het vlak van de aardbaan, en waar haar baan dit vlak raakt, spreekt men ook hier van „knoopen". Wanneer zij in „oppositie" staat, m. a. w. volle maan is, zal er dus dan alleen een maansverduistering plaats hebben, wanneer zij door een der „knoopen" gaat, want dan valt de schaduw van de aarde niet als gewoonlijk boven of onder, maar juist op de verlichte schijf en bewerkt de verduistering.

Kunnen maansverduisteringen slechts bij „volle maan" plaats hebben, de zonsverduisteringen slechts bij „nieuwe maan", en ook weer alleen als de maan in een der opstijgende of neerdalende „knoopen" staat, m. a. w. haar baan door het vlak der ecliptica gaat. Evenals bij een maansverduistering de aarde juist tusschen zon en maan staat en haar

Sluiten