Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

Onzienlijke dingen kunnen dan vooral uit haar worden verstaan en doorzien.

Verstaan en doorzien uit dat frisch-lichte groen van blad en twijg; uit die kleurige en geurige bloesems; uit dien rijkdom van vormen, waarin de geschapen stof, bij haar kringloop tusschen verbinding en ontbinding, geboren worden en sterven, weer nieuw leven vertoont En hetgeen er in de vorige lente geweest is, zal er nog zijn: dezelfde vormen, dezelfde gestalten, alle elkander gelijkend, en toch geen aan de andere gelijk; de wondere verscheidenheid in de eenheid, en de eenheid in de verscheidenheid van Gods veelvormige schepping.

De in de plantenwereld overal-tegenwoordige Kracht van Gods majesteit, en de Majesteit Zijner kracht, kunnen zeker ook worden aanschouwd in een Westersche lente. Maar in de nog rijker weelde van een Oostersche, die bovendien met haar groene tinten en kleurige bloemen sneller, meer plotseling op den winter volgt, is dat nog doorzichtiger.

Toch heeft zoowel in het Oosten als in het Westen, lenteschoon niet altijd Gods onzienlijke dingen doen verstaan en doorzien. De historie der valsche religie leert ons zelfs, hoe men over heel de wereld meestal staan bleef bij dat machtige schoon, en niet opklom met zijn gedachten tot God; leert, hoe men de Lente vergoddelijkte, om dan in de Lentegodin, beeld van de dichtende phantasie, het schepsel te eeren boven den Schepper.

Zoo echter was het en is het niet bij het volk van God.

Genade bewaart het daarvoor.

Genade heeft bovendien bij dat volk het oog der ziel weer ontsluierd, om in en achter bladeren en bloesems, in en achter ook deze tijdelijke dingen, die men ziet, te schouwen de eeuwige dingen, die men niet ziet

Dan, al heeft de zonde ook deze gave Gods vaak bedorven, lentestemming op zich zelf is niet wereldsch in den zin van zondig, maar zuiver menschelijk.

Haar niet te kennen, voor lenteschoon niet meer te voelen, is dan ook een treurig teeken van verwording of van uitgeleefd en versleten te zijn.

Zuiver menschelijk is lentestemming, en dat blijkt ook wel uit de wereld-literatuur, met haar lente-lyriek van zangerige lenteliederen, waarin onder alle volkeren en in alle taal de dichter zijn heel innige zielestemming uit

En tot het schoonste in die lyriek behoort, zooals de kenners u zullen toegeven, ook die zang van Oostersche lente, dien wij in het „lied der liederen", in het Hooglied uit onzen Bijbel, hebben.

Sulammith zegt daar, hoe in dien minnezang bij het ontwaken der lente haar Liefste haar tot zich roept (Hooglied 2 : 10—14). Hoe hij aanheft en zegt: „Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom 1 Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan." Er van zingt, dat de bloemen gezien worden in het land; de zangtijd, de tijd van blijde liederen, daar is; het gekir van den tortel in hun land wordt gehoord. En ook, hoe hij zingt van de kleuren en geuren der lente;

Sluiten