Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INWENDIGE BOUW DER PLANTEN

125

onderzoeker, gestorven in het jaar 1902: omnis cellula e cellula, „iedere cel uit een cel", is het ontstaan en de groei van ieder organisme, van plant en dier en mensch, dus altijd gebonden aan de cel.

Is de onderstelling, dat het organische uit het an-organische, of m. a.w. de levende uit de levenlooze stof zou ontstaan, naar wij vroeger uitvoerig hebben aangewezen, tot dusver door geen enkel goed waargenomen feit bewezen, het ontstaan van de „eerste cel" of het eerste leven op aarde is voor het Christelijk geloof het gewrocht van een Goddelijke scheppingsdaad.

* *

De microscoop, in 1590 door onzen landgenoot Zacharias Jansen, te Middelburg, uitgevonden, heeft zoowel omtrent de inrichting der cel als, in het algemeen, omtrent den inwendigen bouw van de plant, de menschelijke kennis ongewoon verrijkt; 's Heeren ordinantiën ook in deze wereld van het oneindig kleine doen kennen.

Door middel van een eenvoudig vergrootglas worden de cellen b.v. van een afgesneden boomtak reeds duidelijk zichtbaar. Wat men dan echter ziet, is nog maar de celhuid, die het bovengenoemde protoplasma insluit

In dit protoplasma schuilt het leven van de plant.

De celhuid is dan ook maar bijkomstig; waar zij ontbreekt, spreekt men van een „naakte cel".

Het protoplasma-klompje, hetzij dan als naakte of met huid omsloten cel, is een organisme, een levend wezen, een protoplast.

Er werkt een eigen levensbeginsel in, en het is dan ook in staat, alles te verrichten wat voor zijn leven noodzakelijk is. Het kan zich voeden, want het neemt stoffen in zich op en verwerkt ze, zoodat zij tot een deel van het individu worden. Het kan zich voortplanten, want als het zekere grootte heeft bereikt, splitst het zich in tweeën. En eindelijk, het kan gewaarworden en zich bewegen, want op bepaalde prikkels trekt het zich saam.

Noemden wij zooeven de cel een organisme, een levend wezen, daar zijn planten, zooals sommige algen of wieren, die dan ook slechts uit ééne, vele centimeters lange cel bestaan; de meeste planten zijn echter opgebouwd uit een ontelbare menigte van cellen. Toch is reeds de cel alles eerder dan een „eenvoudig" organisme. Nauwkeurig onderzoek heeft geleerd, dat wij reeds hier, bij het eerste begin van het leven, met een zeer samengesteld verschijnsel te doen hebben. Bij het protoplasma toch heeft men niet te doen met een homogene massa, maar met een zeer ingewikkelden bouw. Allereerst zondert zich, vooral wanneer de celhuid ontbreekt, een dunne, doorzichtige laag aan de oppervlakte af, en verder vormt zich uit het protoplasma de celkern. Maar bovendien vindt men er vaak, behalve de celkern, ook nog andere korrels in. Tot de meest belangrijke van deze behooren de chlorophylt-korrels in vele cellen. Het woord, samengesteld uit chloros = geelgroen, en phyllon = blad, vertalen wij met „bladgroen". Aan deze, met een groene kleurstof doortrokken, uit het protoplasma zelf gevormde korrels danken de bladeren en alle groene deelen der plant haar schoone kleur. Op hare

Sluiten