Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

Over de indeeling in het algemeen, over het verschil tusschen natuurlijke en kunstmatige indeeling, en evenzeer over het „soortbegrip", is reeds vroeger gehandeld. Wij kunnen dit alles dus thans laten rusten.

Van de laagst ontwikkelde dieren beginnend en dus opklimmend tot de hoogste vormen, onderscheidt men thans gewoonlijk een zevental hoofdgroepen.

Tot de laagste groep van de dierenwereld dan behooren de z.g. protozoën. Het woord komt van het Grieksche „protos" en zoon = dier, en bedoelt dus een „aanvangsdier", een dier op de onderste trede van het organische leven. Hiertoe behooren moneren en infusoriën. Door sommigen worden aan het einde van de protozoën-groep nog, als een afzonderlijke afdeeling, de z.g. bacteriën genoemd. Vele dezer wezentjes van microscopische kleinheid zijn, zooals thans vooral gebleken is, vaak de naaste oorzaken van velerlei ziekten, zooals typhus, cholera en tering, een ontdekking, waardoor vooral het ontstaan van „besmetting" duidelijk is geworden.

Na de protozoën volgen de holtedieren, waartoe ook de poliepen en de sponsen behooren.

Als derde hoofdgroep onderscheidt men de stekelhuidigen, waartoe o. a. de zeesterren en de zeeëgel behooren.

Deze eerste drie groepen vormen saam wat men gewoonlijk de „lagere dieren" noemt

Met de vierde groep, die der weekdieren, staan wij reeds voor hoogere vormen. De drie voornaamste klassen in deze groep worden gevormd door de koppootigen, waartoe de inktvisschen; de buikpootigen, waartoe de slakken, en de plaatkieuwigen, waartoe de mosselen en oesters behooren.

De vijfde groep in de dierenwereld wordt gevormd door de wormen, die dan weer in een vijftal klassen — borstelwormen, bloedzuigers, spoelwormen, zuigwormen en lintwormen — nader worden ingedeeld.

Dan volgt, als zesde groep, die der gelede dieren, met haar vier klassen insecten, waarbij men weer verschillende „orden" onderscheidt, verder duizendpooten, spinnen en schaaldieren.

Eindelijk staan wij met de gewervelde dieren voor de zevende of hoogste groep van de dierenwereld. Gelijk bekend is, onderscheidt men hier dan weer vier of vijf klassen, en wel: visschen; tweeslachtige dieren of amphibieën, door sommigen met de kruipende dieren tot één klasse vereenigd; verder de vogels, en ten slotte de zoogdieren, met hun verschillende orden.

Deze indeeling, die behoudens hier en daar enkele afwijkingen, thans vrij algemeen gevolgd wordt, verschilt in zooverre van die, welke Linnaeus, gestorven in 1778 te Upsala, gaf, dat deze groote natuuronderzoeker slechts onderscheidde tusschen zoogdieren, vogels, kruipende dieren, insecten en wormen.

*

Vooral tegenover de pantheïstische, of juister misschien nog, monistische wereldbeschouwing, die alle grenzen in de natuur uitwischt, komt

Sluiten