Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

en waaruit men besluit tot hun „leven", is deels een trillende, zonder dat het wezentje daarbij van zijn plaats komt; deels beweging in den zin van plaatsverandering. Voor deze laatste beweging dienen de z.g. „trilharen", organen waarmee vooral de staafjes-bacteriën zijn toegerust, doch die ook bij enkele coccen worden gevonden.

Ook in deze wereld van nietige wezentjes heeft men vaste wet en ordinantie waargenomen. Niet in het vuur; niet in de, spreekwoordelijk geworden, reine lucht der hooge bergen; en evenmin in de zeer diepe wateren worden zij gevonden. Maar overigens vindt men ze schier overal op aarde. In de lucht en het water; in het stof en aan alle voorwerpen, die wij gebruiken; op de huid en in het darmkanaal van mensch en dier. Waar zij een voordeeligen „voedingsbodem" vinden, gaan zij zich vermenigvuldigen. Zoo b.v. in water dat door lijken van planten en dieren verontreinigd is, in meststoffen, op vochtigen bodem, in onze zuivelproducten en in alle niet voldoende tegen bederf gevrijwaarde voedingsmiddelen.

Zijn vele bacteriën voor den mensch onschadelijk, daarentegen zijn er andere, die, zooals wij reeds zagen, verschillende ziekten kunnen veroorzaken. Deze laatste noemt men de „pathogene".

Nu is het wel een vaste wet, dat de lucht zelf, die wij uitademen, vrij van bacteriën is, wijl de ademhalingsorganen op de wijze van een filter werken; doch tevens hebben de laatste onderzoekingen geleerd, dat bij het uitademen bacteriën, die zich in den mond bevinden, mee worden uitgestooten.

Daarentegen worden de meeste bacteriën in de lucht, die wij inademen, in het lichaam teruggehouden. Zij zetten zich reeds vast op de vochtige slijmvliezen van den mond, neus en keel, en kunnen dus slechts voor het kleinste gedeelte in de longen geraken.

Wanneer men nu weet, dat een volwassen mensch iets meer dan 500 liter lucht per uur inademt, en dat men berekend heeft, hoe hij daarbij 50—250 bacteriën naar binnen krijgt, kan men zich een voorstelling maken van het groote aantal dat wij opnemen.

Hierbij bestaat het gevaar voor het opnemen ook van „pathogene" of ziekteveroorzakende bacteriën. In een vergaderzaal waar veel menschen aanwezig zijn, is die mogelijkheid des te grooter. Het speeksel, de z.g. „sputa", van teringlijders, levert een gevaar op voor hun medemenschen. Het kussen op den mond kan de pathogene kiemen van kranken en schijnbaar gezonden overbrengen. Daarom is dan ook niet alleen zorg voor luchtverversching en reinheid, maar ook zekere voorzichtigheid, door kranken en gezonden onderling te betrachten, — plicht

Zeker, ook in deze wereld van het kleine geschiedt alles naar Gods beschikking, doch wij menschen zijn gebonden aansSEijn geopenbaarden wil, aan Zijn gebod: „Gij zult niet dooden".

Sluiten