Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE LEVENSVERRICHTINGEN DER DIEREN

151

alle ten goede komen aan het geheel. Zij zijn om elkaar, dragen zorg voor elkaar, en zal het leven van het lichaam gezond wezen, dan kan er niet één gemist; ja, zelfs als één maar lijdt, dan lijden alle mee. Er is wisselwerking en ook wederzijdsche afhankelijkheid. Zij hebben elkaar noodig; kunnen elkaar niet missen. Het eene orgaan stelt door zijn eigen verrichting het andere tot de zijne in staat. Het zijn altemaal verrichtingen, waardoor het ééne, ongedeelde leven van het geheele lichaam blijft voortbestaan.

Het lag voor de hand, aan deze organisatie van het menschelijk lichaam, aan deze verhouding van wisselwerking en wederzijdsche afhankelijkheid der leden onderling, aan deze dienstverhouding van alle tot het geheel, een beeld te ontleenen van wat een grootere of kleinere groep van, tot een gemeenschap verbonden, menschen zijn moet.

Zulk een gemeenschap toch is eerst dan gezond, wanneer ook in haar ieder het zijne doet; wat tot zijn functie behoort. Immers juist zoo draagt hij bij tot het leven van de gemeenschap; stelt hij de andere leden in staat, ook hun levensverrichtingen behoorlijk te vervullen. En de gevolgtrekking is dan duidelijk, dat ook hier het eene lid het andere niet kan missen; zij elkander noodig hebben; in een tot een gemeenschap verbonden groep van menschen geen tweedracht moet zijn, maar de leden voor elkander gelijke zorg moeten dragen.

* *

Ook de heilige apostel Paulus heeft de organisatie van het menschelijk lichaam dus als beeld gebruikt, en wel om er mee uit te beelden, wat men zou kunnen noemen de organische eenheid van de gemeente des Heeren, van de Kerk van Christus.

Zoo in zijn brief aan de Romeinen, wanneer hij schrijft: „Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden allen niet dezelfde werking hebben, alzoo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden" (Romeinen 12 : 4, 5).

Rijker, nog meer uitgewerkt, en wel zoo, dat het herinnert aan wat wij ook in de profane literatuur vinden, beschrijft de Apostel een natuurlijk organisme, een menschenlijf en zijn organisatie, als beeld van de organische eenheid der gemeente, in 1 Corinthe 12.

Aanleiding daartoe was de verscheidenheid der „geestelijke gaven", aan de verschillende leden der kerk van Corinthe toebedeeld. Die gaven, hoe onderscheiden ook zijn alle werkingen van één en denzelfden Geest. Den een worden, om iets te noemen, door den Geest gegeven werkingen van krachten; een ander profetie; een ander onderscheiding der geesten; een ander menigerlei talen; een ander uitlegging der talen" (vers 10). Maar in al die onderscheiden werking der verschillende leden van die door God zelf gewerkte gemeenschap Zijner verkorenen; van dat ééne mystieke of verborgen lichaam, waarvan Christus het Hoofd is, wil Paulus niet anders gezien hebben, dan de onderscheidene werkingen of functies der verschillende organen in het ééne lichaam. Daardoor komt dan ook hier uit, zoowel de eigenaardige verhouding van de leden onderling, als van allen tot het geheel, en ligt tevens de gevolgtrekking

Sluiten