Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

ontstaan. Bij dit alles komt dan nog de gewichtige taak van het bouwen der cellen uit het was. Het zijn zeszijdige buizen, aan den voorkant open en aan den achterkant gesloten door een bodem, die uit drie gelijke en gelijkvormige ruiten bestaat. Het is in deze cellen, dat straks de larven worden opgeborgen om, achter een poreus deksel, zich verder te ontwikkelen; of ook, dat de honing voor den wintertijd wordt bewaard.

Ten slotte zij hier, als proeve van „instinct", nog iets medegedeeld omtrent het „zwermen" der bijen. Gewoonlijk ontstaat dit, wanneer een oude koningin voor een jonge het veld moet ruimen. Reeds wanneer in de koninginne-cel, waar de larve is weggeborgen, deze op het punt is „pop" te worden, maakt de moederbij onrustige bewegingen, die haar angst verraden. Het is als voorziet zij, dat de aanstaande geboorte van een mededingster een bedreiging van haar leven is. Dan poogt zij de cel te naderen en haar bewoonster te vernietigen, doch wordt daarin door de werkbijen verhinderd. Haar onrust neemt toe, en nog vóór de nieuwe moederbij zich heeft „ontpopt", verlaat de oude met een deel van de werkbijen en darren den korf, om elders een nieuwe maatschappij te stichten.

* * *

Het zou ons te lang bezighouden, indien wij ook van de andere „dierenmaatschappijen" verhaalden. Maar bovendien, wat wij hierboven zagen en wat een schrijver uit onzen tijd, Maeterlinck, genoemd heeft „de ziel van den bijenkorf", is voldoende om een voorstelling te geven van dat „sociale instinct", waardoor in het groote lichaam, doordien ieder lid „het zijne doet", het welzijn van het geheel wordt bevorderd; de individu voor de gemeenschap en de gemeenschap voor den individu zorg draagt.

Evenmin zullen wij verhalen, hoe het instinct zich als kunstdrift openbaart, in de wijze waarop niet alleen de bij haar cel, maar ook de bever zijn huis, en de vogel zijn nest bouwt.

Eén voorbeeld van instinct echter mag ten slotte niet onvermeld blijven, en wel, wat men, naar het ons voorkomt min juist, tegenwoordig aanduidt als de zedelijke en zelfs als de religieuze instincten der dieren.

* * *

Er is meermalen op gewezen, hoevelen in onzen tijd — met de blijkbare bedoeling om de grens tusschen mensch en dier uit te wisschen — zooveel mogelijk wat men tot dusver specifiek menschelijk achtte, ook aan het dier, met name aan de hooger ontwikkelde dieren, zooals apen en honden, toekennen.

Met de taal, waarin de groote klove tusschen dier en mensch uitkomt, is dit tot dusver nog niet gelukt. Want wel heeft men gepoogd, de geluiden, die b.v. apen maken, in een phonograaf op te vangen, en daarin toen vijfderlei toon onderscheiden; maar wat men nu eenmaal onder taal verstaat, is niet de uitstooting van kreten van een zinnelijk lustof onlustgevoel, maar de uitdrukking van gedachten, d. w. z. van oordeeten of verbindingen van begrippen over ons zelf en de buitenwereld, in woorden. In dien gangbaren zin komt dan ook van de apentaal niets

Sluiten