Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEEST

205

prijkt op de lijst van de propaganda-literatuur der sociaal-democratie.

Dit vlot geschreven, niet al te lijvige werk van den Duitseken geleerde, dat den argelooze onder de bekoring brengt van nu eens alle problemen, alle vragen over wereld en leven op te lossen — doordat het voor hem het Heelal in en uit elkaar zet of het een legkaart is — zal den van Schrift en Kerk reeds innerlijk vervreemden lezer, vooral indien hij zich zelf geen rekenschap geeft van de toch zoo eenvoudige vraag, hoe deze schrijver dat alles nu zoo weten kan — straks ook het laatste sprankje van geloof aan een geestelijke wereld doen verliezen. Voor menig, met natuurwetenschap en wijsbegeerte nu niet zoo heel vertrouwd volksredenaar is dit boek een waar tuighuis geweest, waaruit hij zijn wapenen haalde ter bestrijding van de Christelijke wereldbeschouwing. Düs toegerust, was hij dan in staat, aan een schare van voor hun brood zwoegende arbeiders, tegenover wie de Kerk haar taak had verzuimd, te beduiden, dat men thans zeker wist, doordat de „wetenschap" het had uitgemaakt, dat er geen persoonlijke God, geen onsterfelijke ziel, geen geestelijke wereld is. En nog niet zoo lang geleden was „Kracht en Stof" ook het boek, waaraan wijsneuzige kwakjes uit de hoogere klassen van een gymnasium en, op het stuk van de grenzen van ons kenvermogen nog argelooze studenten uit het eerste academiejaar, die óf te huis nooit van het Christendom hadden gehoord, öf nog te kortzichtig waren om er iets van te begrijpen, hun — zelfs den vrijzinnigen papa's wel wat schrille en verbijsterende — theorie ontleenden, dat er eigenlijk niets was dan „stof".

Thans echter is „Kracht en Stof' van Büchner zoo'n beetje uit den tijd geraakt.

Nu moet men bij de „materialisten" wel onderscheiden.

Gij kunt er ontmoeten, die, niettegenstaande hun goddelooze wereldbeschouwing, eerlijke, arbeidzame, matige en kuische menschen zijd; menschen, bij wie de natuur boven de leer gaat, doordat zij van huis uit zedelijk zijn aangelegd en Gods gemeene Gratie in hun natuur de doorwerking van veel zondigs stuit.

Dan, daar zijn onder alle richtingen nu eenmaal naturen met lage, maar sterke passiën; menschen met een neiging naar het gemeene, het grof-zinnelijke, het beestachtige. Komt het bij dezulken tot een „waarachtige bekeering", dan ontwaakt een hooge en edele zin, dan overwint, zij het ook in voortdurenden strijd, de geest het vleesch. De „heilige liefde", door genade uitgestort ook in zulke zielen, wordt dan een kracht om veel te laten, om veel niet te kunnen doen. Maar blijft de bekeering uit, wordt de haat tegen God en Zijn ordinantiën voor het zedelijk leven bij dergelijke naturen al grooter, en trekt de gemeene Gratie zich al meer terug, dan krijgt ge, indien nu zulke menschen voor de materialistische theorie worden gewonnen, een materialistische practijk te zien, die zich dekt met de theorie, dat alles toch maar „stof" is, doch die een Büchner zelf zou hebben gehinderd. Het is deze practijk, welke De Genestet ons teekent in zijn leekedichtje: „Zeker Materialisme":

Sluiten