Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

214

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

van den Eeuwige, maar ook op wat de gesteldheid van Zijn wezen bewerkt; het kennen wat Godes is.

Tot zoover liep, in het vorige hoofdstuk, ons onderzoek naar het wezen van den geest, waar de Schrift dit woord gebruikt van God den Heere.

*

Hier dient echter nog een opmerking aan toegevoegd.

Sluit het woord geest, waar het gelijk in Joh. 4 : 24 ons 's Heeren wezen, tot op zekere hoogte, ontsluiert, de stoffelijkheid en daarmee de lichamelijkheid uit; dit is nooit zoo te verstaan, alsof God de Heere daarmee iets zou missen, iets zou derven. Een creatuur toch, die alleen geest is — gelijk, zooals wij straks zullen zien, de engel — staat op de scala of trap van de schepselen lager dan een creatuur die, zooals de mensch, èn geest èn stof, èn ziel èn lichaam is.

Zulk een geestelijk schepsel toch staat buiten een deel van Gods schepping, buiten de stoffelijke wereld.

Een engel staat hierin gelijk met een dier, dat evenzoo buiten een deel van Gods schepping, buiten de geestelijke wereld staat.

Maar gansch anders is dit bij den Heere onzen God.

Heel Zijn schepping dankt haar zijn en haar aanzijn aan Hem; alle dingen bestaan in en door Hem; en Hij is in alle dingen met Zijn eeuwige en alomtegenwoordige kracht.

God staat nergens buiten.

Niet buiten de onzienlijke, maar ook niet buiten de zienlijke dingen.

Hij is in ieder stof-atoom, en Hij draagt ze en verbindt ze tot moleculen.

Hij is in een steen, en in een plant en in een dier. Maar die steen en die plant en dat dier kunnen er geen weet van hebben.

Het is met hen als met een blinde, die door het licht is omstraald; het licht is vlak bij hem, maar tusschen hem en het licht is geen gemeenschap. En dat juist is de groote, zalige genieting in dit leven, waarop een mensch is aangelegd, dat hij er wèl weet van kan hebben, dat zijn God in hem is. In die bewuste gemeenschap ligt dan ook het wezen der religie.

Maar juist omdat God, die geest is, in heel Zijn wereld alomtegenwoordig is, verstaat gij dan ook, hoe gij „geest en niet óók stof zijn" bij den Eeuwige nooit moogt bezien als een gemis.

* * *

Ons onderzoek naar de beteekenis van het woord geest, waar de Schrift het gebruik in betrekking tot God, kon, in verband met ons tegenwoordig onderwerp: 's Heeren ordinantiën voor de geestelijke wereld, zich niet begeven in een breedvoerige bespreking van wat de Schrift ons openbaart omtrent den Heiligen Geest; van den Derden Persoon der Heilige Drievuldigheid; van den Geest, dien wij in het ééne Goddelijk Wezen, dat geest is, van den Vader en den Zoon hebben te onderscheiden. Wij moesten ons dus bepalen tot 1 Corinthe 2:11.

Dat wij, toen verschillende plaatsen, waar de Schrift leert dat er

Sluiten