Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WERELD DER ENQELEN

229

vormend een wereld, iets wat wij in dit hoofdstuk nader zullen trachten aan te wijzen.

Aan het woord „wereld" verbindt zich voor ons begrip van orde; van eenheid in de veelheid; van een veelvormigheid, een verscheidenheid bij alle gelijkheid. Bij 'n „wereld" denken wij aan wat de dichter zingt:

„Alle Gestalten sind ahnlich, und keine gleichet der andern."

In 't Hollandsch: Alle gestalten zijn gelijkend, en geene is gelijk aan de andere.

Het is deze eenheid in de veelheid, die de dingen tot een wereld, een harmonie, een overeenstemming, een sieraad maakt.

Zoo spreken wij van een sterrenwereld, van een wereld der delfstoffen, van een planten- en dierenwereld; van een menschenwereld en in haar van een kunst-, een wetenschappelijke, een handelswereld; en zoo moeten wij, gelijk ons nu uit de Schrift zal blijken, ook spreken van een engelenwereld.

* *

Is dus orde of ordening het grondbegrip van wereld, deze ordening berust op 's Heeren ordinantie, op Zijn beschikking en bestel, op het schema, de schets, de gedaante, die Hij van eeuwigheid voor Zijn creaturen in Zijn Raad heeft vastgesteld.

Ook de wereld der engelen heeft düs haar gedaante, haar ordening.

Zelfs is zij, evenals die der menschen, in nog hooger zin dan die der sterren en mineralen, der dieren en planten, wereld. Immers, engelen en menschen zijn redelijke creaturen, met verstand en wil begaafd en door Gods scheppingsordinantie op een saamleven en saamwerken, en dat vrijwillig, en dus zedelijk, aangelegd. In dat vrijwillige ligt dan ook juist de hoogere schoonheid; evenals de harmonie in een gezin, waar ze uit onderlinge liefde opkomt, u veel weldadiger aandoet, dan waar zij door dwang wordt veroorzaakt; en het doen van Gods wil door de engelen in den hemel, als gij het u indenkt, u juist om zijn gewilligheid schooner moet wezen, dan de vaste loop der hemellichamen door natuurnoodwendigheid.

* *

Van die eenheid in de veelheid nu, van die vastheid en ordening onder de engelen, spreekt ons de Schrift reeds, waar zij in betrekking tot hen de uitdrukkingen gebruikt van „heirscharen", „heirleger", „legioen", „wagens".

Zijn alle engelen geschapen geestelijke wezens, met redelijkheid of verstand en wil begaafd en als zoodanig één en aan elkander gelijkend, uit de vier zooeven genoemde uitdrukkingen volgt, dat er tusschen hen ook een ordening, een onderling verband, een samenwerking bestaat.

Sluiten