Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MENSCHELIJKE ZIEL

267

Er mag dus volstrekt niet gedacht aan wat men in de stoffelijke wereld bij mensch en dier blazen noemt, een, met meer kracht dan gewoonlijk, door de lippen uitademen. Zelfs niet aan dat blazen van Jezus, waarvan wij lezen in Johannes 20 : 22: „En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest."

God is een geest, en Hij inspireerde Zijn profeten, Zijn heilige schrijvers. Ook hier hebt gij datzelfde inblazen Gods. Want inspireeren is letterlijk „inblazen", „aanblazen".

Satan is een geest, en wij spreken van de „inblazingen van Satan".

Wij hebben dus te denken in Gen. 2 : 7 aan een zuiver geestelijke en bijzonder krachtige actie van God, die geest is, en waarvan het resultaat was, dat nu de grond der menschelijke levensverschijnselen in het menschelijk lichaam ontstond.

Blijft nog over, hoe dan is te verstaan dat „in zijne neusgaten". Hierop is ons antwoord, dat feitelijk de neus het uitwendig orgaan voor het ademen is.

Lezen wij nu ten slotte: „Alzoo werd de mensch tot eene levende ziel," dan moet hier op het woord ziel niet al te zware nadruk gelegd. De zin dezer woorden toch is niet anders dan: Zoo werd de mensch een levend wezen.

* * *

Terecht is gezegd, dat wij Genesis 2 : 7 niet opmerkzaam genoeg kunnen beschouwen, want dat dit ééne vers van zoo diepen inhoud is, dat zijn uitlegging het niet geheel kan uitputten, en het de grondslag is van alle ware anthropologie en psychologie.

Het leert ons toch, door ons te openbaren het oorspronkelijk ontstaan der menschelijke ziel, dat zij, hoe innig ook samenhangend met het lichaam, toch onafhankelijk van dat lichaam ontstaan is; evenals dat lichaam door God is geschapen, en wel uit God ontstaan, maar toch niet uit Hem geëmaneerd of uitgevloeid; dat zij niet uit de stof en dus stoffelijk, maar uit den geest en dus geestelijk is, en eindelijk, dat zij is de grond van al de menschelijke levensverschijnselen, die in 's menschen ademen zijn aanwezigheid openbaart.

In dien zin zegt dan ook de profeet: „Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijnen neus is; want waarin is hij te achten?' (Jesaja 2 : 22).

Het is deze openbaring Gods over het oorspronkelijk ontstaan der menschelijke ziel, waardoor een antwoord is te vinden op onze vraag: Wat is de ziel?

Zien wij in een volgend hoofdstuk, wat uit deze openbaring verder is af te leiden.

Sluiten