Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

268

van 'sheeren ordinantiën

X.

DE MENSCHELIJKE ZIEL.

(Vervolg.)

Want wij zijn ook Zijn geslacht.

Handelingen 17 : 28.

Toegekomen, bij ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën, aan die voor de menschelijke ziel, bespraken wij in het vorige hoofdstuk de mogelijkheid om haar wezen te leeren kennen. Er op wijzend, dat men weten kan wat iets is, als men het ontstaan er van kent, vonden wij, hoe God zelf ons in Zijn Woord een openbaring geeft omtrent het oorspronkelijk ontstaan der ziel, bij de schepping van den eersten mensch.

Dit gegeven der openbaring hebben wij in Genesis 2 : 7, waar wij lezen: „En de Heere God had den mensch geformeerd uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch tot eene levende ziel."

Werd er reeds op gewezen, dat men bij de vraag naar het ontstaan der ziel onderscheiden moet tusschen haar oorspronkelijk ontstaan bij de schepping en haar nog telkens weer ontstaan, wanneer nu, na de schepping, het menschelijk geslacht zich voortplant, — hieruit volgt, dat de volle omschrijving van het wezen der ziel eerst mogelijk zal zijn, wanneer ook met dit laatste ontstaan zal zijn gerekend.

Ontstaat nu een menschelijke ziel, zoo al niet door, dan toch zeker ten gevolge van de voortplanting van het geslacht door 'n man en 'n vrouw, voor deze actie zijn, al gaaf zij niet buiten hun zielen om, hun twee lichamen noodig.

Bloot geestelijke schepselen gelijk de engelen, zoowel de goede als de kwade, planten zich niet voort.

Engelen en duivelen hebben geen kinderen.

Het ontstaan der menschelijke ziel, gelijk dat thans plaats grijpt, valt mitsdien buiten deze tweede afdeeling onzer bespreking van 's Heeren ordinantiën in de natuur, dat niet van de lichamen, niet van de stoffelijke dingen, maar uitsluitend van de geestelijke schepselen handelt.

Toch is ook dit ontstaan natuurlijk in den zin van onafhankelijk van menschelijk. willen.

Er wordt geen kind geboren, en er ontstaat dus geen menschelijke ziel, dan wanneer God het wil.

Ook daarover gaat Zijn bestel, Zijn voorbeschikking, Zijn ordinantie.

Hier staan wij echter voor die wondere verbinding van het stoffelijke en het geestelijke, van het lichamelijke en het psychische, die wij onder al Gods schepselen alleen vinden in den mensch.

In den mensch als natuurwezen.

En zoo dient aan ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën in de

Sluiten