Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

296

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

deze vele en velerlei gewaarwordingen nog onbepaald zijn, nog verward; zooals wij later b.v. een verward geruisch van stemmen hooren. Eerst langzaam gaat het kind deze gewaarwordingen onderscheiden, hetgeen hieruit blijkt, dat het dan op een bepaalde gewaarwording ook op een bepaalde wijze terugwerkt; de gewaarwordingen worden dan tot voorstellingen. Het is bij deze allereerste onderscheiding, dat het bewustzijn „ontwaakt", m. a. w. gaat werken. Hoe nu deze zinnelijke gewaarwordingen werken op de ziel, is bij al wat men van de werking der zenuwen en der hersenen weet, weer volkomen duister. Zooveel is zeker, dat niet de zenuwprikkels de ziel hier doen werken, maar omgekeerd, dat de ziel de indrukken gewaarwordt, de gewaarwordingen onderscheidt en daardoor tot voorstellingen maakt. De ziel toch is niet maar als een „blad wit papier", waarop de buitenwereld allerlei schrijft; niet maar als een „onbeschreven tafel", waarop allerlei letters van buiten af worden ingedrukt; maar integendeel, zij is actief, werkend en haar grond-werkzaamheid is de onderscheiding. En deze werkzaamheid gaat al voort.

Het kind groeit op. Het leert in de wereld waarin het leeft, die eerst een verward geheel voor hem moet zijn, waarin het zich zelf niet weet te onderscheiden, al meer te onderscheiden. Eerst tusschen wat goed, in den zin van aangenaam, en wat kwaad, in den zin van onaangenaam, voor hem is, en wel op grond niet alleen van de tweeërlei gewaarwordingen, van lust of onlust, die zich daaraan verbinden, maar wel degelijk ook van de onderscheiden voorstellingen, die zijn ziel daarbij maakt. Straks leert het kind na eenige levensjaren zich zelf onderscheiden van de wereld waarin het leeft. Sprak het, zooals algemeen bekend is, aanvankelijk van zich zelf als hij, het gaat plotseling ik zeggen. En dat niet alleen omdat het zich gesteld vindt tegenover andere individuen, vader, moeder, broers en zusters, maar ook wel degelijk, omdat zijn ziel die onderscheiding maakt. En zoo zet de ziel haar onderscheidingswerking voort: tusschen goed en kwaad, in den zin van nuttig en schadelijk; eindelijk tusschen goed en kwaad, in den zin van goed en slecht of zedelijk en onzedelijk, en ook tusschen godvruchtig en goddeloos leert de ziel onderscheiden.

Wij kunnen hier thans niet verder op ingaan en moeten nog de vraag: hoe, naar welk richtsnoer, welke norm deze twee laatste onderscheidingen door de ziel worden gemaakt, en ook die andere, of ze deze norm krachtens haar schepping heeft, dan wel eerst van buiten af verkrijgt, voorloopig laten rusten.

Hier zij er slechts op gewezen, hoe de onderscheiding der ziel, waarin heel de grondfunctie van het bewustzijn opgaat, een natuur-ordinantie Gods is.

* * *

En dat het tot dit onderscheiden eerst van lieverlede komt, leert ons ook de Schrift.

In het boek Jona wordt van de jonge kinderen in Ninevé gesproken als van menschen, „die geen onderscheid weten tusschen hunne rechter-

Sluiten