Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEWUSTZIJN

297

hand en hunne linkerhand" (Jona 4 : 11). In Deuteronomium lezen wij van „kinderen die heden noch goed noch kwaad weten" (h. 1 : 39). Eigenaardig is hier echter bovenal, wat wij in Jesaja 7 : 15 en 16 lezen: „Boter en honig zal hij eten, totdat hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede. Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijne twee koningen."

Er is hier sprake van de twee koningen Rezin van Syrië en Pekah van Israël, die in Achaz' dagen tegen Jeruzalem optrokken ten strijde. Hun land — Syrië èn Israël — zal echter spoedig zijn verwoest, ontvolkt, verlaten. En ook is hier sprake van het kind Immanuel. Dit kind zal, wanneer het nog niet tot „de jaren des onderscheids" gekomen is, wanneer het nog geen verschil kent tusschen goed en kwaad, dus op jeugdigen leeftijd, „boter en honig eten". Bij „boter" hebben wij hier te denken aan het product, dat de woestijnbewoners bereiden, door de melk in hun lederzakken te schudden. Boter en honig is dus de spijze der woestijn, want het geboorteland zal dan verwoest zijn, en in het verwoeste land zal geen andere spijze te verkrijgen wezen. Maar ook zeer spoedig, nog eer dit knechtje tot „de jaren des onderscheids" komt, weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede, zal ook het land van Juda's vijanden verwoest zijn.

Wij kunnen hier op de Immanuel-profetie niet verder ingaan. Het is er ons alleen om te doen, aan te wijzen hoe ook de Schrift het verwerpen van het kwade en het verkiezen van het goede, dus de „onderscheiding", eerst later bij het kind laat optreden.

* *

Komen wij thans, na van het bewustzijn te hebben gesproken als van een toestand en functie der ziel, tot zijn inhoud.

De ziel onderscheidt haar gewaarwordingen en maakt ze daardoor, gelijk wij zagen, tot voorstellingen.

Deze voorstellingen zijn in haar bewust, in het bewustzijn, en deze zijn tevens vele en velerlei. Allerlei werkingen en aandoeningen grijpen in de ziel plaats, en van vele dier werkingen en aandoeningen is zij zich bewust, heeft zij weet, omdat zij er voorstelling van heeft. Deze voorstellingen wisselen, iederen dag, ieder oogenblik. Het leven onzer ziel is zoo rijk, doordat onze gewaarwordingen zoo vele en velerlei zijn.

Toch is er te midden van dat vele een eenheid.

Onder alle voorstellingen die wisselen, te midden van wat wij kennen als ons denken en willen, ons streven en gevoelen, ons hopen en vreezen, onze stemmingen van vreugde en droefheid, te midden van het vele en velerlei, dat wij in voortdurende wisseling denken en willen, nastreven en voelen, hopen en vreezen, is er een voorstelling, die blijft zoolang wij bewust zijn, die gisteren en heden en morgen dezelfde is; en die voorstelling is ons ik.

Op haar betrekken wij alle andere.

De mensch weet: ik denk, wil, streef, gevoel, hoop en vrees.

In dit zich zelf onderscheiden, en daardoor kennen ook van een ik

Sluiten