Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

328

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

gewaarwordingen slechts symbolen van de dingen, zij toch symbolen zijn van werkeUjk bestaande dingen, en niet bloot inbeeldingen of hersenschimmen.

É

Maar onze gewaarwordingen verschillen onderling niet alleen naar haar inhoud, maar ook naar haar sterkte of intensiteit.

Men noemt dit ook de quantiteit, d. w. z. de hoegrootheid eener gewaarwording, of de kracht, met welke haar inhoud tot ons bewustzijn komt. Wij weten allen, hoe een zelfde gewaarwording nu eens sterker, dan weer zwakker is. Hoe grooter nu, binnen zekere grenzen, de uitwendige prikkel is, b.v. de luchttrillingen op onze gehoorzenuwen, des te sterker zal ook de gewaarwording zijn. Binnen zekere grenzen, want, zooals wij later zullen zien, bij een te gering of ook te groot aantal trillingen heeft men geen gehoorgewaarwording.

Nu zijn de uitwendige prikkels op onze zenuwen, zooals licht,' tonen, gewicht, temperatuur, meetbaar. Evenzoo vermogen wij te onderscheiden tusschen het merkbaar worden van een gewaarwording en de vermeerdering van hare sterkte.

In de vorige eeuw kwam men daarbij tot de ontdekking, dat er een zeer eigenaardige verhouding bestaat tusschen de merkbare toeneming van de sterkte der gewaarwording en de toeneming van de sterkte der uitwendige prikkels, die haar veroorzaken. Het was de in 1878 te Leipzig gestorven hoogleeraar E. H. Weber, die deze vaste ordening het eerst ontdekte, en de in 1887 mede te Leipzig gestorven wijsgeer G. Th. Fechner, die haar verder heeft uitgewerkt. Zij is sedert bekend als de WeberFechnersche — of ook, omdat zij een vaste verhouding tusschen het psychisch en physisch gebeuren aanwijst — als „de psycho-physische" wet.

Wij komen later, bij de bespreking van de verschillende soorten van gewaarwordingen, op deze wet terug.

Naar den inhoud en de sterkte, maar ook naar wat men gewoonlijk noemt haar toon, verschillen onze gewaarwordingen.

Men verstaat daaronder den gevoelstoon, het gevoel van lust of onlust waarmede een gewaarwording gepaard gaat, dat haar vergezelschap! Men spreekt dan van „aangename" of „on-aangename" gewaarwordingen, al naarmate de storing in onze gevoelszenuwen ten gevolge van de op deze werkende uitwendige prikkels, de ziel als een stijging of een daling van het leven aandoet.

Bij deze aandoeningen is de ziel passief, lijdend.

* * *

De activiteit, de werkzaamheid der ziel ook bij het ontstaan der gewaarwordingen is, zooals boven reeds werd gezegd, en later nog duidelijker zal blijken, van groote beteekenis.

Al is het ontstaan onzer gewaarwording ook afhankelijk van de prikkeling onzer zenuwen door wat in en om ons lichaam is, zenuwprikkeling en gewaarwording zijn daarom nog niet hetzelfde.

Sluiten