Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORSTELLEN. — ASSOCIATIE. OEHEUGEN. HERINNEREN 353

Wanneer wij onze oogen geopend hebben, zijn een groote menigte voorwerpen gelijktijdig in het gezichtsveld aanwezig. Daarvan wordt echter slechts een klein deel zeer duidelijk gezien; de overige worden ook wel gezien, maar met een duidelijkheid, die met den grooteren afstand van het gezichtspunt vermindert. Om zeer duidelijk te zien toch, moeten wij de spieren van het oog door middel van onze beweegzenuwen zóó richten, dat de „gele vlek" in het netvlies, waarvan wij in het voorlaatste hoofdstuk spraken als het punt waar het zien het duidelijkst is, de indrukken ontvangt.

Dit duidelijk zien komt bij voorbeeld uit bij het lezen.

Wanneer ons oog zich richt op de bladzijde van een boek, dan overziet men de geheele bladzijde met haar letters en teekens. Men ziet bovendien ook de omgeving, de tafel en de voorwerpen, die daarop staan, tot eindelijk aan de grenzen van het gezichtsveld de dingen geheel verdwijnen.

Maar ook de pagina met haar letters ziet men niet met gelijke duidelijkheid. Vestigt men het oog op één bepaalde letter en beproeft men nu, zonder het oog te bewegen, de naburige letters te herkennen, dan zal men bevinden, dat men nauwelijks nog de derde of vierde letter naar beide kanten duidelijk ziet.

Iemand die goed lezen kan, doet dit nu wel niet. Hij houdt het oog juist niet lang gevestigd op één punt, maar laat het als heenvliegen over de regels, waarbij het oog echter de afzonderlijke letters, althans sommige, wel degelijk telkens in het gezichtspunt brengt, maar dit met zoo groote snelheid doet, dat het onmerkbaar is. Althans sommige letters, want hij, die aan het lezen gewoon is, raadt uit enkele letters reeds het overige van het woord. Doch zie nu daarentegen, wat een stumper, die niet goed lezen kan, een moeite heeft; hoe hij letter voor letter duidelijk zien moet om er woorden uit te spellen.

Dan, dit in het voorbijgaan, want waar het ons nu met dit voorbeeld van het „lezen" om is te doen, is, te laten uitkomen, hoe de ziel, bij het zien met de oogen des lichaams, de dingen zoo voor de oogen moet stellen of, liever nog, de oogen zoo voor de dingen moet stellen, zal zij er een duidelijken indruk van krijgen.

Zoo lang nu de ziel düs de oogen van haar lichaam gebruikt; die oogen voor de dingen stelt; noemen wij deze hare werking duidelijk zien. Evenzeer spreken wij in het algemeen van duidelijk waarnemen, of ook van duidelijk aanschouwen, wanneer zij niet de oogen, maar andere zinnen düs gebruikt

Zit men b.v. in zijn kamer ingespannen te werken, dan hoort men niet het tikken van de klok; maar eerst als men zijn trommelvlies spant, en zijn oor dus als voor die geluidstrillingen stelt, beluistert men dat tikken. Wij spreken dan ook van „het oor te luisteren leggen".

Bij dit alles nu is de ziel gebonden aan de zinnen en kómt dus tot „zinnelijke" waarneming en „zinnelijke" aanschouwing en zinnelijke „voorstelling".

Zij is nog niet vrij van de zinnen.

Hoewel, wijl naar Oods beeld geschapen, soortelijk onderscheiden van de ziel der dieren, komen deze werkingen der menschelijke ziel met die der dieren overeen. Ook het dier toch wordt gewaar en neemt waar,

Ordinantiën II 83

Sluiten