Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

358

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

Wat blijft of wat de ziel „houdt", als de zinnelijke waarneming heeft opgehouden, is dan noch een „beeld", noch een soort mystisch wezen. Maar wat blijft, als de zinnelijke waarneming heeft opgehouden, is niets anders dan de geschiktheid der ziel, om wat zij eens en meermalen gedaan heeft naar aanleiding van indrukken uit haar buitenwereld, waartoe ook het met haar verbonden lichaam behoort, nu nog eens en meermalen te doen zonder die aanleiding. M. a. w. mijn ziel heeft de geschiktheid om, als ik eens en nog eens een kachel gezien heb, ook dan, wanneer ik die kachel niet meer zie, ze zich weer voor te stellen, tot een „bepaalden" inhoud van haar bewustzijn te maken.

Het „voorstellen" is dus een zuivere werking van de ziel; zuiver in dien zin, dat zij niet als de gewaarwording of de waarneming of de zinnelijke aanschouwing, „vermengd" is met de werking der zinnen.

Tegenover deze verklaring, waarbij het geestelijk wezen van de ziel tot haar recht komt, zij hier, als in het voorbijgaan, nog even gewezen op die van de „materialisten". Deze, de ziel vereenzelvigende met de hersenen, leeren, dat er van de zinnelijke indrukken „sporen" zouden achterblijven in de hersenen, en dat dan nu, ook waar zinnelijke indrukken achterwege blijven, uit die „sporen", striemen of groeven in de hersenen de „voorstellingen" zouden ontstaan. Neemt men echter in aanmerking, dat ook de hersenen, evenals de andere lichaamsdeelen, aan stofwisseling onderworpen zijn, dan wordt deze verklaring reeds daardoor weerlegd.

Ten slotte dient hier nog gesproken over wat boven, bij de bespreking van Herbart's theorie, reeds genoemd werd: „de onbewuste voorstellingen".

Verstaan wij onder „voorstellen" die actie der ziel, waarbij zij, wat zij eerst naar aanleiding van indrukken uit haar buitenwereld gedaan heeft, later, ook waar die aanleiding ontbreekt, herhaalt en dus vroeger waargenomen dingen of gebeurtenissen weer tot een „bepaalden" inhoud van haar bewustzijn maakt, dan heeft de samenkoppeling van „onbewuste voorstellingen" iets vreemds.

Er ligt een tegenstrijdigheid in, gelijk als die van „houten ijzer".

Toch is de zaak, zij het dan ook min gelukkig onder woorden gebracht, een feit; een feit, lang vóór Herbart en zelfs vóór den Duitschen wijsgeer Leibnitz (f 1716), dien men gewoonlijk voor den ontdekker er van houdt, bekend.

Zij eischt hier dus, als een wezenlijke ordening Gods voor ons zieleleven, een nadere bespreking.

Allereerst kunnen wij spreken van meer of minder bewuste voorstellingen.

De Inhoud van het bewustzijn kan soms rijk zijn, evenals het gezichtsveld van ons oog. Maar evenals, wanneer wij met onze oogen voor een landschap staan, wij, al „kijken" wij, al richten wij onze aandacht op

J

Sluiten