Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

372

VAN 'SHEEREN ORDINANTIËN

Allereerst werd hier op de groote beteekenis van het „voorstellen" voor ons kennen gewezen. Daardoor toch is mogelijk, dat het kennen voortduurt ook waar het gebruik der zinnen tijdelijk ophoudt, en het contact tusschen de ziel en de buitenwereld, tusschen subject en object ook kan voortgaan, als b.v. het oog tijdelijk gesloten is, de ziel tijdelijk met de zintuigen niet werkt.

Door de eigenaardige werking toch van het kenvermogen, die wij „voorstellen" noemen, is het der ziel mogelijk, ook zonder de zintuigen tot een bepaalden inhoud van haar bewustzijn te maken wat zij vroeger* met behulp dier zintuigen heeft gedaan. Hij, die b.v. vroeger met zijn oogen een kachel aanschouwd heeft, kan zicfcjrtraks, ook als hij haar niet ziet, zulk een verwarmingstoestel weer voorstellen; hii heeft de „voorstelling" van 'n kachel.

Ten slotte hebben wij gewezen op de overeenkomst en het verschil bij de onderscheidene wijzen, waarmee het ééne kenvermogen der ziel deze voorstellingen óf onwillekeurig verbindt — de z.g. „associatie"óf als „geheugen" bewaart; óf naar willekeur onveranderd terugbrengt — de z g herinnering; óf ook, en dan willekeurig in den wakenden en onwillekeurig in den droomenden toestand, veranderd, omgevormd terugbrengt — de z.g. verbeelding of „phantasie".

De vaste ordeningen voor al dit psychische gebeuren hebben wij daarbij in het licht gesteld.

Tot zoover nu zijn wij thans met ons onderzoek naar 's Heeren ordinantiën voor het kenvermogen gekomen.

Bestaat alle kennis in de verhouding tusschen een subject dat kent en een object dat gekend wordt, hier bepaaldelijk tusschen de menscheüjke ziel en de wereld, wij hebben nu na te gaan, hoe de ziel nog tot een hoogeren graad van kennen vermag te komen, dan door haar bij het „voorstellen" wordt bereikt

Dit nu geschiedt door die eigenaardige werking van het kenvermogen welke wij denken noemen en dan toeschrijven aan het verstand. '

Ons woord „verstand" hangt saam met verstaan.

Om nu goed te doorzien, wat eigenlijk verstand is, moet men wél onderscheiden tusschen wat van ons denken het gevolg, het resultaat is en tusschen het vermogen zelf om te denken.

Zoowel toch het eerste als het laatste noemen wij „verstand"

Bepalen wij ons nu eerst tot het „verstand" In den zin van wat het resultaat, het gewrocht van ons denken is.

Het hoogere kennen dan wat wij in onze voorstellingen bezitten noemen wij het „verstaan" of „verstand".

Sluiten