Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STREVEN. DRIFT. BEGEERTE

405

's menschen bestaan, dan kan men, wijl de mensch in zijn lichaam en ziel een stoffelijk-geestelijk bestaan heeft, de natuurdriften onderscheiden in zulke, die meer met de zinnelijke, en in zulke, die meer met de geestelijke zijde van ons wezen in verband staan.

*

Tot de eerste soort behooren dan de voedingsdrift en de zinnelijke drift in enger zin, waarbij de mensch streeft naar gezichts- en gehoorgewaarwordingen. Van duisternis en volstrekte stilte toch hebben wij, tenzij onze zenuwen vermoeid zijn, een natuurlijken afkeer. Verder de drift tot afwisseling, en eindelijk de geslachtsdrift.

Hoe innig met al deze verschillende zinnelijke driften, die alle verbonden zijn met gevoel van lust en onlust, het zieleleven zelf saamhangt, leert ons niet alleen de zelfwaarneming, maar ook de Schrift, waar b.v. Paulus te Lystre (Hand. 14 : 17) zegt, hoe God der menschen harten vervult met spijs en vroolijkheid, en dus gedoeld wordt op het lustgevoel der verzadiging.

* *

Tot de natuurdriften of aandriften van de tweede soort behoort allereerst het onbewuste streven der ziel om zich voorstellingen te vormen en deze te verbinden. Het vertoont zich reeds bij de hoogere dieren en vormt met de nieuwsgierigheid, of het streven naar steeds nieuwe voorstellingen, dan ook den overgang tot die hoogere geestelijke aandriften, welke den mensch eigen zijn. Is het 'n natuurlijke aandrift van den geest om steeds bezig te zijn met zijn voorstellingen, en ook om steeds de wereld zijner voorstellingen te verrijken, hoe meer nieuws de ziel van de wereld buiten zich gewaarwordt, des te levendiger wordt het daarmee gepaard gevoel van verwondering, waarbij de natuurlijke aandrift tot kennen en weten zich ontwikkelt. Ook is er een natuurlijke aandrift om op die buitenwereld in te werken, en die zich bij het kind reeds als spel, bij den mensch als aandrift, een onbewust verlangen in de menschelijke ziel naar schoonheid, terwijl zij het leelijke, dat met een onlustgevoel gepaard gaat, van zich stoot. En eindelijk is er, omdat de mensch, naar Gods ordinantie, in zijn bestaan gebonden is aan God en zijn medemenschen, ook een natuurlijke aandrift tot religie en zedelijkheid.

Zeker, heeft de zonde, wat dit laatste betreft, ook hier de menschelijke natuur verdorven, maar toch bleef ook de zondaar een menschelijk wezen, en al kent en zoekt hij den eenigen en waarachtigen God niet meer, toch bleef in zijn ziel een natuurlijke aandrift, een onbewust verlangen naar 'n God; en al kent en zoekt hij van nature niet meer wat voor God goed is, toch is er ook in den zondaar een natuurlijke aandrift, zij het ook door de zonde gestuit, tot het goede. Ook buiten Israël en het Christendom vindt men dan ook onder alle volkeren en in alle tijden religie, zij het ook valsche religie. Ook vindt men, zij het al niet de ware, de Christelijke, toch onder alle volkeren en in alle tijden, zedelijk-

Sluiten