Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXVII. HOOFDSTUK IX.

63

maar omdat de Doop niet mocht uitgesteld. Niet het vierde gebod, maar het Sacrament dreef daartoe. En vandaar dat wie een oud geslachtregister opslaat, gelijk dit oudtijds in onze Statenbijbels wierd aangelegd en waarin men alle geboorte- trouw- en sterfdagen opschreef, en bijna altoos ook de Doopdagen bij vindt aangeteekend, en wel zonder uitzondering Doopdagen, die nooit meer dan vier of vijf dagen van den geboortedag af liggen. Elk kind, dat op den lsten April geboren was, was vóór den 6den of 7den April vast gedoopt. Dat miste nooit. Nog tot omstreeks 1750 hield dit stand. En eerst na 1750, toen het geloof inzonk, het naturalisme zijn verwoesting begon, en allengs voor het Sacrament niets meer gevoeld, noch van het Verbond begrepen werd, toen eerst is de practijk ontstaan om de kinderkens drie, vier weken ongedoopt te laten liggen en te wachten op den eersten kerkgang van de moeder. Dat men thans weder van deze slechte practijk tot de goede practijk der vaderen begint terug te keeren, is uitnemend. Slechts dringe men ook hierin niet te sterk. Immers dan eerst zal deze booze practijk vallen maar dan ook vanzelf verdwijnen, als het recht verstand van den Kinderdoop er bij de gemeente meer in komt. De prediking des Woords moet hier den weg banen en elke plotselinge overgang worden vermeden. Alleen zie men wel toe, dat de voorganger ook in deze voorga, en de dienaren des Woords, de ouderlingen en diakenen terstond toonen, dat zij althans de Gereformeerde belijdenis verstaan en daarop ook, zoo God hun een kindeke schenkt, een Gereformeerde Doopspractijk bouwen.

En zoo komen we vanzelf op de quaestie der presentatie terug, want alleen het laten optreden der moeder heeft deze Sacramentsverwoesting in de gemeente ingebracht, en alleen het harde, dat er schijnbaar in ligt, om er de moeder buiten te laten, maakt dat deze verkeerde gewoonte nog op zooveel plaatsen stand houdt. Er is daardoor zekere aandoenlijkheid in het spel gekomen; men is op het gevoel gaan drijven; de moeders, hieraan eenmaal gewend, gaan er nu zekere miskenning in zien, zoo men den Doop buiten haar medewerking laat omgaan; moeders die bij heur eerste en twëede kind er wel bij waren, vinden het nu stuitend, om heur derde en vierde kind over te geven; en pas gehuwde vrouwkens, die voor het eerst moeder wierden, zouden zichzelf niet als vol beschouwen zoo ook zij dit recht niet genoten. De bakers spelen hierbij door haar verkeerden raad ook veelal een verkeerde rol. En zoo kost het ongelooflijk veel moeite, om een zoo vast gewortelde gewoonte er weer uit te krijgen.

Toch kost het weinig moeite, om aan te toonen, dat heel de beschouwing, die aan deze moeder-practijk bij den Doop ten grondslag ligt, voor de Heilige Schrift niet kan bestaan. Naar luid der Heilige Schrift droeg

Sluiten