Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

ZONDAG XXVIII. HOOFDSTUK I.

kiezen kon, een ander voor en over hem beschikt heeft; — evenmin mag een gedoopte, als hij op jaren komt, zich aanstellen, alsof hij nooit gedoopt ware, of ook als hadden zijn ouders geen recht gehad, om hem dien Doop te laten toedienen. Uw ouders hadden macht over u, omdat God macht over u had; en elke voorstelling alsof uw ouders u eerst hadden moeten vragen, of ge gedoopt wildet Zijn, en dus uw Doop tot later hadden moeten uitstellen, is in den diepsten grond niets dan een loochening van de macht en het zeggenschap, dat uw God over *w lot en uw leven en heel uw persoon heeft. Hij heeft, zonder u te vragen, of ge dit goed vondt, u die bepaalde ouders geschonken. Hij heeft aan die ouders den last gegeven, om u, naar eisch van zijn Woord, reeds als klein kindeke den Doop toe te dienen. En voor zoover uw ouders hierbij naar den eisch van Gods Woord te werk gingen, bindt dus hun daad ook u, en mist ge elk zedelijk recht, om u aan de gevolgen van hun daad te onttrekken. Formeel hebt ge dat recht natuurlijk wel, want uitwendig zal niemand u dwingen, om uw Doop gestand te doen, en de burgerlijke rechter zal er geen vonnis over slaan, zoo ge in gebreke blijft om de aangegane verbintenis na te komen. Maar voor God hebt ge die vrije keuze niet. Zijns was de raad en het bestel, dat ge in dat bepaalde huisgezin moest geboren worden, en dat naar den regel van dat gezin de Doop u in die bepaalde kerkformatie zou worden toegediend. Kunt ge nu van achteren aantoonen, dat uw ouders, toen zij u lieten doopen, in strijd met Gods Woord handelden, dan natuurlijk is hun daad voor u niet langer verbindend. Maar ook moet ge toegeven, dat uwe ouders toen ze u ten Doop hieven, slechts den plicht volbrachten, die God hun oplei, en dat ze gezondigd zouden hebben en voor Hem schuldig gestaan, zoo ze dit hadden nagelaten, dan is de rechtsgeldigheid der door hen aangegane verbintenis ook te uwen opzichte boven eiken twijfel verheven, en zijt gij even stellig gehouden, om de gevolgen van uw Doop te aanvaarden, als een kind gehouden is den naam te dragen van den vader waaruit hij geboren werd.

De band die Doop en Avondmaal verbindt is dus niet een band, die naar wilkeur door u kan erkend of ontkend worden. Als gedoopte zijt ge, zoodra ge tot jaren van onderscheid zijt gekomen, ten Avondmaal gehouden. Natuurlijk niet in uitwendig formeelen zin, alsof iemand zeggen kon: „Ik ben als kind gedoopt; nu ben ik tot jaren van onderscheid gekomen; alzoö ga ik thans naar het Avondmaal". Dan toch zou de kerk voor de toetreding tot het heilig Avondmaal niets te doen hebben, dan te constateeren, dat iemand gedoopt was en den ouderdom van, zeg, zestien jaren bereikt had. Met een doopacte en geboorteacte in de hand zou dan een iegelijk de toetreding tot het heilig Avondmaal kunnen forceeren.

Sluiten