Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

ZONDAG XXXö. HOOFDSTUK II.

andering de Katholieke kerk bestempelt met den zeer eigenaardigen naam van Transsubstantiatie.

Doch ook hiermee is nog niet genoeg bepaald. Het mocht toch niet zóó worden voorgesteld, alsof het brood alleen in zijn lichaam en de wijn alleen in zijn bloed overging, met dit gevolg, dat alleen het brood zijn lichaam bevatte en alleen de wijn zijn bloed. Neen, de banvloek, het anathema, het doemvonnis ging ook uit over een iegelijk die loochende, dat in het heilig Sacrament van de Eucharistie Jezus Christus in elk der beide teekenen, en zelfs in elk deel der beide teekenen begrepen was, zoodra de scheiding tot stand was gekomen. In den ouwel dus heel de Christus, en in den kelk heel de Christus; en dat niet alleen, maar ook heel de Christus in elk stukske van den ouwel en heel de Christus in eiken droppel van den beker. „Dit toch, zegt het Concilie van Trente, is altijd het geloof der kerke Gods geweest, dat terstond na de zegenspreuk, het ware lichaam en het ware bloed van onzen Heere Jezus Christus aanwezig zijn onder de gedaante van brood en wijn, en dat, te zaam met zijn ziel en zijn Godheid, en zulks door de kracht der woorden; maar het lichaam onder de gedaante van den wijn en het bloed onder de gedaante van het brood, en de ziel onder beide krachtens die natuurlijke en verzeilende (concomitans) gemeenschap, waardoor de verschillende deelen van onzen Heere Jezus Christus, die uit de dooden is opgewekt, om nooit weer te sterven, onder elkander verbonden zijn; en de Godheid ter oorzake van haar hypostatische vereeniging met zijn lichaam en zijn ziel. Daarom is het juist, te zeggen, dat een der beide elementen evenveel in zich bevat als beide saam; want Jezus Christus is naar zijn geheelheid aanwezig onder de gedaante van het brood en onder elk stukske er van; en evenzoo in zijn geheelheid aanwezig onder de gedaante van den wijn, en onder elk deelke van den wijn."

Hieruit nu vloeide nog een andere belijdenis voort. Wierd feitelijk door de zegenspreuk brood en wijn in den werkelijken Christus veranderd, dan kon deze Christus niet weer brood en wijn worden. Zoo moest dus wel beleden worden, dat brood en wijn, waarover eenmaal de zegenspreuk was uitgegaan, niet enkel op dat oogenblik de wezenlijke Christus was, maar dat ook bleef. Zoodra dus de priester de zegenspreuk der consecratie over den ouwel en den wijn heeft uitgesproken, is de verandering tot stand gekomen. Van dat oogenblik af schijnt er nog wel bröod te liggen en wijn in den beker te tintelen, maar feitelijk is dat niet zoo. Wat daar op het altaar ligt of in den kelk staat is Jezus Christus zelf, naar lichaam en ziel en evenzoo naar zijn Godheid. Al komt ge dus uren

Sluiten