Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAG XXXÖ. HOOFDSTUK III.

193

geheel gelijken zin waarin we die wraken bij de Heidenen. Ook hier toch wordt zoomin als bij de Heidenen opzettelijke schepselaanbidding bedoeld. Integendeel, ook hier zoogoed als bij den Heiden, wordt niet anders bedoeld, dan de eeuwige Goddelijke Macht te aanbidden, en knielt men slechts daarom voor de hostie, omdat men aanneemt dat die eeuwig Goddelijke Macht zich op een geheel onbegrijpelijke en geheimzinnige manier met den ouwel, dien men voor zich ziet, heeft vereenigd. En gelijk nu de Heiden, in het diepst van zijn aanbidden, niet meer waant een beeld van steen voor zich te zien, maar onder den indruk verkeert alsof dat steen leeft, bezield is, en zijn God is geworden, zoo ook verkeeren de Roomschen onder den indruk en in den waan, dat die buwel ophield brood te zijn, en alsnu leeft, bezield is en zijn God werd. Zonder eenigen den minsten lust om te krenken, of hard te zijn, kunnen noch mogen We dus op het woord „afgoderij" hier ook maar iets laten afdingen. „De ware aanbidders zullen den Vader aanbidden in geest en waarheid"; ons zondig hart daarentegen vindt in het ijle van deze geestelijke aanbidding geen bevrediging; deswege gaat het toch weer uit naar iets zichtbaars en tastbaars; en zoodra het dat gegrepen heeft, ligt nu hierin de ontzettende zelfmisleiding, dat het dit zichtbare en tastbare met het geestelijke en goddelijke vereenzelvigt, en alzoo het geestelijke in het Stoffelijke doet ondergaan.

Al de strijd ligt hier tusschen het zienlijke en den Onzienlijke, 4usschen de zichtbare wereld van onze waarneming en de onzichtbare wereld, waar alleen onze geest toe geraken kan. Nu heeft de zinlijke, ongodsdienstige mensch daar geen moeite mede. Hij bekommert zich eenvoudig niet om het onzichtbare, hij vraagt naar den Onzienlijke niet. Wat hij voor oogen ziet en met handen tasten kan is hem genoeg. Voor hem bestaat er dan ook geen mysterie, zoomin in zijn eigen ziel, als in de wereld om hem heen; en overmits hij zelf geen dorst naar het ongeziene kent, begrijpt hij er ter wereld niets van, hoe andere menschen aan wonderen kunnen gelooven, aan de Schrift zich onderwerpen, en aan Doop of Avondmaal hechten, en dus nog veel minder hoe iemand gelooven kan in de Mis. Om dat alles lacht hij. Het wekt zijn spot en bitterheid. En het is door dien zondigen hartstocht jjedreven, dat hij ook tegen de Mis zijn woede in allerlei scheldwoorden lucht geeft. Met dezulken nu wenschen we geen gemeenschap te hebben, noch mee te zingen in hun choor; Uitnemend goed beseffende hoe hun roepen tegen de Mis evengoed onzen Doop en ons Avondmaal treft en eigenlijk een hoonen bedoelt van den Eeuwige.

Neen de kunst des geloofs bestaat er juist in, om die beide werelden zoo de onzienlijke, als de zienlijke gelijkelijk vast te houden, en te houden

E Voto III fy

Sluiten