Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

218

ZONDAG XXXb. HOOFDSTUK II.

het heilig Avondmaal stelden: de bekeering tot God. Dit is geen eisch bij den heiligen Doop, wel bij het heilig Avondmaal.

Ziehier de reden waarom. In het Sacrament van den heiligen Doop is de doopeling geheel lijdelijk; maar in het Sacrament van het heilig Avondmaal is de Avondmaalganger zelf handelend. Men laat zich doopen; maar men gaat zelf ten Avondmaal. Het heet: „Laat u doopen", maar: „Neemt, eet". Dit nu is oorzaak, waarom men een klein kindeke wel doopen kan, maar waarom het tevens ongeschikt is, om te communiceeren. Reeds om de lichamelijke onbekwaamheid; maar toch, niet daarop doelden we; doch voornamelijk om de zielsonbekwaamheid. Voor een zielsdaad toch, en dat moet elke gang ten Avondmaal zijn, is noodig, dat de ziel tot zelfbewustzijn ontwaakt zij, en alzoo wete wat ze doe. Zal nu iemand bij het heilig Avondmaal zijn Heere en Koning gaan belijden, dan spreekt het vanzelf dat hij dit niet kan, tenzij hij genoegzaam ware kennisse van den Middelaar hebbe en met de keuze van zijn hart voor dien Middelaar gekozen hebbe. Eerst dan is zijn ziel in klaar en helder bewustzijn van den Immanuël ontwaakt, en dan eerst weet ze, wat ze aan het heilig Avondmaal doen gaat. Bij den heiligen Doop daarentegen is dit niet noodig, omdat de Doop een Sacrament is, waarbij men zelf niets doet, maar dat men geheel lijdelijk ondergaat; even Hjdelijk als de geboorte ten leven, waarvan het ons heilig symbool is. Bij den Doop is het dus genoegzaam, zoo het vermogen om te gelooven en het vermogen om ons te bekeeren, ons is ingeplant. Zonder dat vermogen zou ook de Doop geen zin hebben; maar ook, als dit vermogen ons is ingeschapen, dan is Doop op zijn plaats. Altoos zóó echter, dat zoomin hier bij het heilig Avondmaal, als bij den Doop, sprake is van wiskunstige zekerheid. Immers nooit kan de kerk beoordeelen, of iemand zich „met waren harte tot God bekeerd heeft", en evenmin kan de kerk beoordeelen of iemand het „vermogen om te gelooven en zich te bekeeren" reeds in zijn ziel draagt; zoodat beide malen te oordeelen is naar de uitwendige kenteekenen, die God de Heere daarvoor' in zijn Woord gesteld heeft.

Maar hoe ook bezien, van den eisch als zoodanig mag nooit of nimmer een handbreed afgeweken; „alleen wie zich met waren harte tot God bekeerd heeft", bezit recht voor God, om ten Avondmaal te gaan. En wel zóó uitgedrukt als de Catechismus het doet; niet gelijk men het thans liefst zou zeggen: „alleen wie bekeerd is" mag ten Avondmaal gaan. In dat ééne woordeke is toch zit hier al de fout. De heilige Schrift spreekt, gelijk vroeger in den breede door ons is aangetoond, zoogoed als altoos van den plicht der wedergeborenen, om zich te bekeeren; natuurlijk niet buiten God om; ja, niet zonder bijzondere inwerking van de bekeerende

Sluiten