Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

222

ZONDAG XXXÖ. HOOFDSTUK II.

Zoo is dus, zult ge zeggen, bekeering dan weer geen eisch, zoo ik maar mijzelven mishaag in mijne zonden, de zonde laten wil en geloof in de verzoening van mijn zonden. Maar op dat zeggen, zal natuurlijk elk kenner van de Schrift en elk goed Gereformeerde u terstond antwoorden. Ge vergist u, want wat de Catechismus hier in de eerste plaats noemt, is precies hetzelfde wat hij in Zondag XXXIII van de waarachtige bekeering zegt. Wie er zoo aan toe is gekomen, die heeft zich met waren harte tot zijn God bekeerd. En zoo is het ook, maar toch moet er een reden zijn, waarom de Catechismus niet eenvoudig begint met den eisch te stellen, dat men zich bekeerd moet hebben, maar daarentegen begint met deze ampele omschrijving. En die reden is gemakkelijk te doorzien. Als er toch sprake van is, dat gij in het midden der gemeente zult opstaan en zeggen: „Lieve broeders en zusters, ook ik heb mij bekeerd tot den levenden God!" — dan maakt dat op velen den indruk, alsof hier een ontzettende zelfinbeelding en hoogmoed uit sprak. Wie toch durft zóó iets van zichzelven zeggen? Vooral in een jongeman of jongedochter van achttien a twintig jaar klinkt dat zoo aanmatigend, dat hij bij velen weerzin wekt, en men er niets van gelooft. Van mannén of vrouwen op jaren, die allengs dieper ingeleid en rijk met genade versierd zijn, en wier tong is losgemaakt, wil men dat nog wel hooren, en dan imponeert het zelfs; maar zoo in den gewonen zin genomen, stuit dit, en wil men er niet aan. Nu, daar is reden voor.

Toen de vervolging nog hevig tegen de Christenen woedde; en men door Jezus te belijden, zeker was zijn dood op den rooster of in het worstelperk te vinden, stond de zaak anders. Als er dan een jongedochter of jonge man te voorschijn trad en den moed bezat om te belijden: „Ook ik heb mij tot mijn Heiland met waren harte bekeerd", dan vond een ieder dat heerlijk, dan juichte al Gods volk daarin, en dan boezemde dat zelfs aan hun beulen ontzag in, eenvoudig wijl zulk een jonge man of jongedochter terstond in de gelegenheid werd gesteld, om de echtheid van zijn bekeering met zijn bloed te bezegelen of met de vuurproef waar te maken. Maar wanneer ge soms heele scharen van jongelieden ziet aankomen, die allen betuigen den Heere te belijden en zich dus tot Hem bekeerd te hebben; en dan daarna bij deze jongelieden geen vonkje geestdrift voor Jezus ziet glinsteren, geen enkel offer voor Hem ziet brengen, geen den minsten ijver voor zijn dienst ziet ontwaken en geen enkele vrucht van bekeering plukken kunt; dan ligt in deze vertooning iets, dat uw waarheidsgevoel kwetst. Het heilige bedekt onder prachtige vormen, maar zóó dat de waarheid struikelt op de straten.

Sluiten