Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

254

ZONDAG XXXI. HOOFDSTUK II.

,Gij zult niet begeeren". Iets wat dan vanzelf met zich bracht, dat thans een inquisitoriaal onderzoek naar de gesteldheid van iedere ziel moest worden ingesteld, en tevens dat de openbare bestraffing en verzoening uitzondering werd, en meest geheel de zaak der boete tusschen den boe• teling en den priester in het verborgene moest worden afgedaan. Toch heerschte ook hierbij aanvankelijk nog de overtuiging, zelfs bij Petrus Lombardus nog, dat een priester niets anders doet, dan uitspreken, dat de teekenen van ware boetvaardigheid, als bewijs dat God hem vergeven heeft, in den schuldige aanwezig zijn. Slechts komt er nu allengs het denkbeeld bij op, dat de vrijgesprokene nu wel vrij is van zijn eeuwigen doem, maar toch nog allerlei werken van boete te volbrengen heeft, om zijn zonde geheel weg te krijgen; en zoo ontstond dan de theorie, dat de priester hem daarvoor bepaalde boetedoeningen oplegde, en dat hij alleen door deze te volbrengen, waarlijk verlost was. Ook hierbij bleef echter het oordeel van den priester nog altoos feilbaar, zoodat Petrus Lombardus dan ook oordeelde: Wat de priester u te veel oplegt, komt u als verdienste bij God ten goede, en wat hij u te weinig oplegt, moet ge zelf verhalen, *t zij op aarde, 'tzij in het vagevuur.

Het lag intusschen voor de hand, dat men ook hiermee zijn weg nog niet had afgeloopen. Er moest aan den priester een volstrekte macht in de zake der zondevergeving toekomen, zou metterdaad de priester een macht in de kerk blijven. Daarom legde Hugo van St Victor er reeds nadruk op, dat men wel te onderscheiden heeft tusschen de verharding die de zonde werkt en haar eeuwige schuld. De eerste nu kon, naar zijn beweren, alleen God breken, en moet dus voorafgaan, maar de vrijspraak van de eeuwige straf gaf de priester, en dat in onfeilbaren zin. Hij was dan ook van God besteld. In hem had de schuldige Gods orgaan te zien. En had God hem op die wijze door den priester de eeuwige straf kwijtgescholden, dan had hij ook geen eeuwige straf meer te duchten, omdat hij de kwijtschelding er van gezocht had ter plaatse, die God hiervoor besteld had. De priester verandert dan zijn eeuwige straf in een tijdelijke straf, en legt hem uit dien hoofde boete op.

Toch vond ook dit gevoelen geen algemeenen ingang, en is het eerst Thomas van Aquino die ook in dezen chaos van allerlei meeningen orde schiep, doordien hij eenerzijds de vergeving van zonde weer tot God teruggebracht en toch anderzijds de uitwerking van de priesterlijke daad absoluut gemaakt heeft. Hij gaat daartoe uit van de stelling, dat alleen God de zonde vergeeft en vrijspreekt van de eeuwige straf, en dit doet op grond van de innerlijke verbrijzeling der ziel en buiten den priester om. Maar zal nu deze verbrijzeling de ware zijn, zoo moet deze er den boete-

Sluiten