Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

256

zondag xxxi. hoofdstuk iii.

Het Concilie veroordeelt daarom de meening, alsof er zondevergeving zonder de bijkomende Satisfactie zou kunnen bestaan. Dit kan wel in den Doop, maar niet in de Biecht, omdat de zonde van den eens gedoopte (en alleen de zoodanigen komen in de Biecht) zooveel ernstiger karakter draagt. Naar de geaardheid der misdaden dus, lettende op het karakter van den boeteling, moeten de priesters aan de boetelingen bepaalde werken van penitentie opleggen; waar dan bijkomt dat God de Heere ook soms in de tegenspoeden des levens ons straffen oplegt, die een voldoenend karakter dragen. En wat nu de hoofdvraag betreft, of de vergeving der zonden van God komt, of van den priester, zoo leert het Concilie van Trente, dat soms de innerlijke verbrijzeling, ook zonder de Biecht, reeds volkomen is; en in dat geval de verzoening met God ten gevolge heeft, indien slechts in den boeteling de wensch leeft, om deze verzoening door het Sacrament te bezegelen, en hij dit ook doe, zoo hij kan. Dat echter bijna altoos deze verbrijzeling onvolkomen is, en slechts in een droefheid over de zonde bestaat; en dat deze wel een gave Gods is, en de weg tot de ware verbrijzeling bereidt, maar op zichzelf geen verzoening met God tot stand brengt. Daarom moet dus bij zulk een eerst door het Sacrament van de Biecht de ware verbrijzeling tot stand komen, en hem geschikt maken, om de vergeving der zonden te ontvangen.

En al is nu eerst door het Concilie van Trente in haar XlVe sessie deze leer aangaande het Sacrament van de Biecht geijkt, toch had de invloed van Thomas in de 14e en 15e eeuw reeds sterk genoeg doorgewerkt, om deze denkbeelden in de kerk algemeen te doen worden, zoodat de Hervormers in hun dagen de beschouwing over de Sleutelmacht metterdaad reeds zoo vonden, als ze, mede tengevolge van hun optreden, door de officieele Hiërarchie op het Concilie te Trente bezegeld is.

DERDE HOOFDSTUK.

Dat de Zoon des menschen macht heeft op aarde de zonden te vergeven. Matth. 9 : 6.

Ook te Trente hield dus de Roomsche Hiërarchie nog in het afgetrokkene, vast aan het beginsel, dat alleen God de zonde kan vergeven, maar ze onderstelde, dat God deze macht bij wijze van delegatie, ten

Sluiten