Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONDAQ XXXII. HOOFDSTUK IX.

spreken, „dat ik geschapen ben in Christus Jezus tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat ik daarin wandelen zou". Bij allen twijfel die rijst behoort dus ons gebed tot den God onzes levens te zijn, of Hij de vruchten der goede werken in ons wil doen uitkomen, en in die vruchten ons de zekerheid geven omtrent de echtheid van ons geloof.

En toch, men gaat mis, zoo men (wat Voetius dan -ook niet bedoelt) door een uitwendig besluit hierop alleen af wil gaan. Immers, de sluitrede gaat wel door, dat waar de echte vruchten zijn, ook het echte geloof is; maar men kan niet omgekeerd zeggen: Waar de echte vruchten nog niet uitbotten, is het echte geloof niet. Zie ik trossen aan de ranken hangen, dan ja, weet ik stellig, dat ik voor een wijnstok sta; maar als ik voor een rank sta, zonder trossen, kan noch mag ik omgekeerd besluiten, dat die rank niet van een wijnstok, maar van een wilden wingerd is. Immers, dan kan het daarom toch zeer wel een echte wijnstok zijn, maar een wijnstok die deswege dit jaar geen druiven kon voortbrengen, óf omdat de wind te scherp, óf omdat de bodem te arm, óf omdat de zon te schraal was. Of zonder beeldspraak, er kan echt geloof in de kiem zijn, maar dat door allerlei ongunstige omstandigheden nog niet in vrucht uitbotte. En ook afgezien daarvan, moet ik er altoos op letten, dat de wijnstok, die in den herfst druiven droeg, in den winter zelfs kaal van blad is, en in de lente wel blad, maar daarom nog geen trossen vertoont. Vandaar dat ik voor de echtheid van mijn geloof ook rekenen moet en mag met de vruchten uit het verleden, en juist daaraan kracht en moed heb te ontleenen, zoo er voor een tijd lang een dorheid over mijn ziel toog. Een geloof dat een vorig jaar echte vruchten droeg, blijft echt, al is voor het oogenblik de uitbotting van de vrucht belemmerd. Ook in het geloofsleven zijn er magere jaren en vette jaren.

In de tweede plaats komt hierbij, en dit is het moeilijkste, dat het lang niet zoo gemakkelijk is, om te beoordeelen, of eenig werk, dat ik deed, waarlijk goed voor God is. Bij een wijnstok valt dit licht. Wat een druif is kan men zien; of de druif edel is kan men proeven. Maar zoo gemakkelijk is deze kennis bij de goede werken niet. Vraag ik toch aan den Catechismus: „Wat zijn goede werken?" dan ontvang ik ten antwoord: Werken die uit een oprecht geloof voortkomen, geheel in den zin, waarin de apostel schrijft: Wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Maar zoo geraak ik dan ook, zoudt ge zeggen, in een cirkelredeneering. Om te weten of mijn geloof echt is moet ik onderzoeken of ik echte vrucht droeg; en om uit te maken of die vrucht echt is, moet ik nagaan of die vrucht voortkomt uit een echt geloof. Onze moralisten zien dus wel, dat ze met

Sluiten